Huishoudelijk Reglement

Op de pagina kunt u het Huishoudelijk Reglement van het Zeekadetkorps Nederland downloaden als pdf bestand.

U kunt de actuele versie van het gehele huishoudelijk reglement als pdf-bestand downloaden.

Versie 4 november 2017

Download HHRDownload Bijlages bij het HHR

Het huishoudelijk reglement is door de algemene raad voor het laatst in het geheel vastgesteld 4 november 2017.

Na die datum heeft de algemene raad nog geen wijzigingen in het huishoudelijk reglement aangebracht

Inhoud

HOOFDSTUK 1 – ALGEMEEN.
1.         Algemeen.
1.1.      Definities.
1.2.      Hiërarchie documenten.

HOOFDSTUK 2 – VERENIGING.
2.         Vereniging.
2.1.      Aanmelding voor lidmaatschap.
2.2.      Hoofdbestuur.
2.3.      Algemene Raad.
2.4.      Commissies.
2.5.      Advies en projectgroepen.
2.6.      Commandantenvergadering.
2.7.      Inspecteur KM.
2.8.      Vertrouwenspersoon.
2.9.      Vrijwilligers.
2.10.    Zeekadetofficieren van speciale diensten.
2.11.    International Liaison.
2.12.    Beloningen.
2.13.    Onderscheidingen.
2.14.    Financiën.
2.15.    Verzekeringen.
2.16.    Korpsvlag.

HOOFDSTUK 3 – PLAATSELIJKE ORGANISATIE.
3.         Plaatselijke organisatie.
3.1.      Samenstelling plaatselijke organisatie.
3.2.      Plaatselijk bestuur.
3.3.      Korpsschepen.
3.4.      Administratieve verplichtingen.
3.5.      Plaatselijke financiën.
3.6.      Verzekeringen.
3.7.      Overige vrijwilligers.

HOOFDSTUK 4 – PLAATSELIJK KORPS.
4.         Plaatselijk Korps.
4.1.      Samenstelling.
4.2.      Structuur.
4.3.      Korpsleiding.
4.4.      Jeugdleden.
4.5.      Activiteiten.
4.6.      Kleding.
4.7.      Rang- en standonderscheidingstekenen.
4.8.      Leermiddelen.
4.9.      Brevetten.
4.10.    Kleurschema vaartuigen.
4.11.    Landelijk Zomerkamp.
4.12.    Legitimatiebewijs.

HOOFDSTUK 5 – GEDRAG.
5.         Gedrag en gedragscode.
5.1.      Gedrag.

HOOFDSTUK 6 – OVERIG.
6.         Overige bepalingen.
6.1.      Trofeeën.
6.2.      Geschillencommissie.
6.3.      Slotbepaling.

Bijlages
A: Commissie Techniek en Veiligheid
B: Commissie Public Relations
C: Commissie Opleidingen
D: Commissie Communicatie en Sociale Media
E: Structuur Plaatselijke Korpsen
F: Financiën
G: Kleding, Uitmonsteringen en Onderscheidingen
H: Ceremonieel
I: Trofeeën en Prijzen
J: Gedrag

Hoofdstuk 1 - Algemeen

1.         Algemeen.

1.1.      Definities.
In dit huishoudelijk reglement wordt verstaan onder:

Algemene Raad (AR) de Algemene Raad van de vereniging;
Baksmeester Een kwartiermeester, belast met de begeleiding van/leiding over een groep zeekadetten, aspirant zeekadetten en ketelbinkies
Commandant (CDT) de commandant van het plaatselijke korps;
Commandant zomerkamp (CDTZoKa) de commandant van het landelijk zomerkamp;
Hoofdbestuur (HB) het hoofdbestuur van de vereniging;
Huishoudelijk Reglement (HHR) Huishoudelijk Reglement van de Vereniging Zeekadetkorps Nederland
Inspecteur KM.; de Inspecteur Koninklijke Marine voor het Zeekadetkorps Nederland.
International Liaison Officier (ILO) de international liaison officier belast met de voorbereiding en uitvoering van internationale uitwisseling van zeekadetten;
Jeugdlid ketelbinkie, (aspirant)zeekadet, kwartiermeester of bootsman
Korpslid lid van de leiding of jeugdlid van het plaatselijke korps;
Landelijk Zomerkamp (ZoKa) het jaarlijkse (landelijk) zomerkamp van de vereniging;
Lid van de korpsleiding (opper)schipper of zeekadetofficier
Lokaal zeekadetkorps plaatselijk korps, lid van de vereniging Zeekadetkorps Nederland
Penvoerder een lid van het hoofdbestuur, verantwoordelijk voor de inhoud van een bijlage van het Huishoudelijk Reglement
Plaatselijk bestuur het bestuur van een plaatselijke organisatie
Plaatselijk korps plaatselijk zeekadetkorps dat door de plaatselijke organisatie in stand wordt gehouden;
Plaatselijke organisatie de plaatselijke rechtspersoon die lid is van de vereniging;
Statuten de statuten van de vereniging;
Vereniging de Vereniging Zeekadetkorps Nederland;
Vrijwilliger Een door het hoofdbestuur of een plaatselijk bestuur aangestelde functionaris die belast is met de uitvoering van één of meer specifieke taken
Zeekadetkorps Lokaal Zeekadetkorps
Zeekadetkorps Nederland de Vereniging Zeekadetkorps Nederland;

.

1.2.      Hiërarchie documenten.

1.2.1.   De navolgende documenten regelen de organisatie en werkwijze van de Vereniging Zeekadetkorps Nederland en de lokale zeekadetkorpsen.

a.         De Statuten van de Vereniging Zeekadetkorps Nederland.

b.         Het Huishoudelijk Reglement van de Vereniging Zeekadetkorps Nederland.

c.         Bijlages bij het Huishoudelijk Reglement van de Vereniging Zeekadetkorps Nederland. Deze bijlages geven aanwijzingen voor de uitvoering van (delen van) het huishoudelijk reglement of de te voeren handelwijze bij specifieke situaties.

1.2.2.   Een besluit tot statutenwijziging behoeft tenminste twee/derde van de uitgebrachte stemmen van de Algemene Raad.

1.2.3.   Een besluit tot wijziging van het Huishoudelijk Reglement (met uitzondering van de bijlages) behoeft tenminste de helft van de uitgebrachte stemmen in de Algemene Raad.

1.2.4.   Wijzigingen van de bijlages van het Huishoudelijk Reglement worden, op voorstel van de penvoerder, vastgesteld door het Hoofdbestuur en worden drie weken na bekendstelling aan de plaatselijke korpsen van kracht, tenzij tenminste drie plaatselijke korpsen binnen deze drie weken bezwaar aantekenen.

1.2.5.   Indien tenminste drie plaatselijke korpsen bezwaar aantekenen tegen een wijziging in de bijlages van het Huishoudelijk Reglement, wordt de voorgestelde wijziging uitgesteld totdat deze besproken is in de Algemene Raad en daar is aangenomen conform het gestelde in artikel 1.2.3.

Hoofdstuk 2 - Vereniging

2.         Vereniging.

2.1.      Aanmelding voor lidmaatschap.

2.1.1.   Aanmelding.

De aanmelding voor het lidmaatschap van de vereniging wordt door de initiatiefnemer(s) van het aspirant zeekadetkorps, waarvan de toelating tot de vereniging wordt gewenst, schriftelijk ingediend bij de secretaris van het hoofdbestuur.

2.1.2.   Toelating.

Het hoofdbestuur verleent het aspirant zeekadetkorps de status van ‘Zeekadetkorps in oprichting’ en stelt een commissie in, belast met de begeleiding van het zeekadetkorps in oprichting.

2.1.3.   De commissie zal – tenminste – bestaan uit.

a.         één lid van het hoofdbestuur;

b.         één voorzitter van een plaatselijke organisatie;

c.         één commandant van een plaatselijk korps;

d.         één lid met kennis van (scheeps)techniek;

e.         één lid met kennis van public relations.

2.1.4.   De commissie stelt in directe samenwerking en samenspraak met het bestuur van het zeekadetkorps in oprichting een ondernemingsplan op dat als basis dient voor de besluitvorming waarop, de algemene raad gehoord hebbende, toelating tot de vereniging zal kan plaatsvinden door het hoofdbestuur.

2.2.      Hoofdbestuur.

2.2.1.   Samenstelling.

a.         Behalve de in artikel 6 van de statuten genoemde functies wijst het hoofdbestuur uit zijn midden een commissaris internationale zaken, een commissaris opleidingen, een commissaris public relations, een commissaris communicatie en sociale media en een commissaris techniek en veiligheid aan.

b.         Het hoofdbestuur kan uit zijn midden meer commissarissen aanwijzen.

c.         De functie van commissaris mag met een andere functie worden gecombineerd.

2.2.2.   Overige bepalingen.

a.         Alvorens zijn functie te aanvaarden overlegt het lid van het hoofdbestuur een Verklaring Omtrent Gedrag.

b.         De vertrouwenspersoon kan de vergaderingen van het hoofdbestuur bijwonen en daarin het woord voeren.

c.         De Inspecteur KM kan de vergaderingen van het hoofdbestuur bijwonen en daarin het woord voeren.

2.3.      Algemene Raad.

2.3.1.   De voorzitter, die zich conform artikel 8, eerste lid, van de statuten eenmalig of voor langere tijd laat vervangen, geeft daarvan schriftelijk kennis aan de secretaris van het hoofdbestuur.

2.3.2.   De secretaris van het hoofdbestuur zendt correspondentie voor de algemene raad naar de voorzitters van de plaatselijke organisaties of naar hun vervanger indien de vervanging voor meer dan één vergadering is.

2.3.3.   Bij stemmingen brengt de voorzitter van het hoofdbestuur de stem van het hoofdbestuur uit.

2.3.4.   De commandanten kunnen de vergaderingen van de algemene raad bijwonen en daarin het woord voeren, zo nodig kunnen zij zich door een kaderlid van hun plaatselijk korps laten vervangen.

2.3.5.   De commandantenvergadering is bevoegd om agendapunten in de vergadering van de algemene raad van het Zeekadetkorps Nederland op te brengen.

2.3.6.   De vertrouwenspersoon kan de vergaderingen van de algemene raad bijwonen en daarin het woord voeren.

2.3.7.   De voorzitter van de algemene raad kan anderen voor de vergadering uitnodigen of bij de vergadering toelaten en hen het woord laten voeren.

2.4.      Commissies.

2.4.1.   Ter ondersteuning van de commissarissen in het hoofdbestuur zijn er een aantal commissies:

a.         De commissie techniek en veiligheid (CTV).

b.         De commissie public relations (CPR);

c.         De commissie opleidingen (COPL);

d.         De commissie communicatie en sociale media (CCOMM);

2.4.2.   Voor de taakomschrijving van deze commissies zie bijlages A (CTV), B (CPR), C (COPL) en D (CCOM)

2.5.      Advies en projectgroepen.

2.5.1.   Instelling.

a.         Het hoofdbestuur kan advies- en projectgroepen instellen, een combinatie van beide is mogelijk.

b.         De advies- of projectgroep krijgt een door het hoofdbestuur in het instellingsbesluit te formuleren taakgebied of project.

c.         De instelling is voor een beperkte periode van maximaal drie jaar, na het verstrijken van die periode is verlenging telkens voor maximaal drie jaar mogelijk.

2.5.2.   Samenstelling.

a.         De advies- of projectgroep kan bestaan uit één lid van het hoofdbestuur, vrijwilligers van de vereniging, bestuursleden van de plaatselijke organisaties, korpsleden en vrijwilligers van de plaatselijke organisaties.

b.         Het lid van het hoofdbestuur is voorzitter van de advies- of projectgroep, indien geen lid van het hoofdbestuur deel uitmaakt van de groep dan wijst het hoofdbestuur uit de leden van de groep een voorzitter aan en belast een lid van het hoofdbestuur met de afstemming tussen de groep en het hoofdbestuur.

2.5.3.   Werkwijze.

a.         De advies- of projectgroep werkt zo veel mogelijk digitaal en komt bijeen indien de voorzitter dat nodig acht.

b.         de advies- of projectgroep kan een beroep doen op anderen in de vereniging en de plaatselijke organisaties voor inlichtingen.

c.         indien dat binnen de in het eerste lid, onder b, bedoelde taak past, geeft de advies- of projectgroep zowel gevraagd als ongevraagd advies aan het hoofdbestuur en/of aan de plaatselijke organisaties.

2.6.      Commandantenvergadering.

2.6.1.   De taak van de commandantenvergadering is.

a.         het bevorderen van het contact, overleg en samenwerking tussen de plaatselijke korpsen alsmede het coördineren van gezamenlijke activiteiten;

b.         het inventariseren en waar mogelijk oplossen dan wel onder de aandacht van het hoofdbestuur brengen van – gezamenlijke – problemen en aandachtspunten;

c.         het voorzien in een praktische besluitvorming en eensluidende regelgeving en organisatie bij de plaatselijke korpsen;

d.         het gevraagd en ongevraagd schriftelijk advies uitbrengen aan het hoofdbestuur en de algemene raad.

2.6.2.   Samenstelling.

a.         De commandantenvergadering bestaat uit de commandanten, de Commandant Zomerkamp en een lid van het hoofdbestuur als voorzitter.

b.         Indien zaken betreffende het zomerkamp besproken worden, wordt dat gedeelte van de vergadering voorgezeten door de Commandant Zomerkamp.

c.         De commandanten kunnen zich zo nodig door een kaderlid van hun plaatselijk korps laten vervangen.

d.         De voorzitter van de commandantenvergadering kan anderen voor de vergadering uitnodigen of bij de vergadering toelaten en hen het woord laten voeren.

2.6.3.   Vergadering.

a.         De commandantenvergadering komt tenminste twee maal per jaar bijeen, waarbij plaats en tijdstip van de vergadering worden vastgesteld door de voorzitter.

b.         De voorzitter van de commandantenvergadering draagt zorg voor schriftelijke verslaglegging van de commandantenvergadering.

c.         bij besluitvorming wordt per plaatselijk korps één stem uitgebracht.

2.7.      Inspecteur KM.

2.7.1.   Er is een Inspecteur der Koninklijke Marine voor het Zeekadetkorps in Nederland, verder te noemen De Inspecteur KM.

2.7.2.   De Inspecteur KM is een marine officier met de rang van minimaal Luitenant ter Zee der 1e klasse. De benoeming geschiedt door de Plaatsvervangend Commandant der Zeestrijdkrachten (P-CZSK), op voordracht van het Hoofdbestuur van het Zeekadetkorps Nederland.

2.7.3.   De Inspecteur KM.

a.         Fungeert als spil in de communicatie tussen het Zeekadetkorps Nederland en de Koninklijke Marine;

b.         Neemt, waar nodig, deel aan de vergaderingen van het hoofdbestuur en/of de Algemene Raad;

c.         Houdt het hoofdbestuur en P-CZSK, op de hoogte van relevante ontwikkelingen binnen het Zeekadetkorps Nederland, danwel binnen de Koninklijke Marine.

d.         Treed op als Commandant Zomerkamp;

e.         Houdt tijdens het zomerkamp toezicht op het juiste gebruik van het door de Koninklijke Marine ter beschikking gestelde materieel.

f.          Indien de Inspecteur verhinderd is om aan het zomerkamp deel te nemen, zal hij trachten om/ in overleg met het hoofdbestuur, in adequate vervanging te voorzien;

g.         Adviseert het hoofdbestuur inzake deelname aan maritieme manifestaties waarbij ook de Koninklijke Marine is betrokken.

h.         Kanaliseert door de plaatselijke korpsen aan de Koninklijke Marine gerichte verzoeken, en het bewaakt de afhandeling daarvan.

2.8.      Vertrouwenspersoon.

2.8.1.   Algemeen.

a.         De vertrouwenspersoon wordt door het hoofdbestuur aangesteld voor een periode van drie jaar. Deze aanstelling kan stilzwijgend verlengd worden, telkens met een periode van drie jaar.

b.         Teneinde de onafhankelijkheid van de vertrouwenspersoon zeker te stellen, kan het hoofdbestuur deze aanstelling slechts beëindigen op verzoek van de vertrouwenspersoon of na afloop van de aanstellingsperiode.

c.         De vertrouwenspersoon maakt geen deel uit van het hoofdbestuur of een plaatselijke organisatie.

2.8.2.   Taken en bevoegdheden.

a.         De vertrouwenspersoon is aangewezen teneinde te voorzien in de behoefte om, onafhankelijk van enig bestuur of gezagdrager binnen de vereniging, een functionaris te hebben die voor ieder lid, ongeacht stand, rang of (bestuurs-)functie toegankelijk is als vertrouwenspersoon.

b.         De vertrouwenspersoon vervult zijn taak in de meest brede zin van het woord, enerzijds treedt hij op als vertrouwensman van de leden, anderzijds adviseert en informeert hij – naar eigen inzicht – besturen en kader van plaatselijke korpsen en/of het hoofdbestuur over zaken die hij noodzakelijk acht.

c.         De vertrouwenspersoon kan zich onvoorwaardelijk beroepen op “ambtsgeheim” daar de informatie die hem/haar wordt toevertrouwd een – zeer – vertrouwelijk karakter kan hebben en/of van – strikt – persoonlijke aard kan zijn.

d.         De vertrouwenspersoon is bevoegd tot het bijwonen van alle vergaderingen en activiteiten van het Zeekadetkorps Nederland, de plaatselijke besturen en de plaatselijke zeekadetkorpsen.

2.9.      Vrijwilligers.

2.9.1.   Benoeming.

a.         Het hoofdbestuur kan vrijwilligers aanstellen voor bepaalde tijd of voor onbepaalde tijd.

b.         In het aanstellingsbesluit worden de personalia van de vrijwilliger volledig vermeld.

c.         De vrijwilliger stelt op het besluit dat hij de aanstelling aanvaardt en zich zal houden aan de statuten en het huishoudelijk reglement van de vereniging..

d.         Alvorens zijn vrijwilligerswerk te aanvaarden overlegt de vrijwilliger een Verklaring Omtrent Gedrag.

2.9.2.   Taak.

a.         De vrijwilliger is.

1).        of lid van een advies- of projectgroep;

2).        of vervult een in dit reglement genoemde functie;

3).        of verricht werkzaamheden, die in het aanstellingsbesluit zijn genoemd.

b.         De vrijwilliger gaat bij de uitvoering van zijn taak uit van de aanwijzingen van de functionaris, die daarvoor in het aanstellingsbesluit is genoemd.

2.9.3.   Schorsing en ontslag.

a.         Het hoofdbestuur is bevoegd een vrijwilliger te schorsen of te ontslaan.

b.         De vrijwilliger krijgt op zijn verzoek een schriftelijke motivering van de schorsing respectievelijk het ontslag.

2.10.    Zeekadetofficieren van speciale diensten.

2.10.1. Functies.

a.         Het hoofdbestuur kan functies aanwijzen waarvoor het wenselijk is dat deze door een zeekadetofficier worden vervuld.

b.         Indien de persoon die de functie vervult geen rang heeft vanwege een andere positie bij een zeekadetkorps, kan het hoofdbestuur deze functionaris benoemen tot Zeekadetofficier van Speciale Diensten.

2.10.2. Benoeming en vaststelling rang.

a.         Het hoofdbestuur benoemt een vrijwilliger tot zeekadetofficier van speciale diensten en stelt de rang vast, rekening houdend met aard c.q. zwaarte van de taak.

b.         Het hoofdbestuur kan de rang wijzigen indien de aard c.q. zwaarte van de taak daartoe aanleiding geeft.

2.10.3. Schorsing en ontslag.

a.         Het hoofdbestuur is bevoegd een zeekadetofficier van speciale diensten te schorsen of te ontslaan.

b.         De zeekadetofficier van speciale diensten krijgt op zijn verzoek een schriftelijke motivering van de schorsing respectievelijk het ontslag.

2.11.    International Liaison.

2.11.1. Vertegenwoordiging.

a.         De commissaris internationale zaken in het hoofdbestuur vertegenwoordigt de vereniging in de ‘International Sea Cadet Association’ en bij andere internationale contacten.

b.         Waar nodig kan de commissaris Internationale Zaken zich laten vervangen door een vrijwilliger.

c.         Voor de voorbereiding, uitvoering en/of begeleiding van internationale uitwisseling(-en) van zeekadetten wijst het hoofdbestuur één of meer International Liaison Officieren aan.

2.11.2. International Liaison Officer.

a.         De International Liaison Officer heeft de rang van Zeekadetofficier der Eerste Klasse.

b.         De International Liaison Officier gaat bij de uitvoering van zijn taak uit van de door de International Sea Cadet Association uitgegeven ‘Guidelines International Exchanges’ en de aanwijzingen van de commissaris internationale zaken in het hoofdbestuur.

c.         De International Liaison Officier is belast met de voorbereiding, coördinatie en begeleiding van internationale uitwisselingen van jeugdleden, zowel voor wat betreft het uitzenden als het ontvangen. Hij kan de feitelijke begeleiding van uitgaande delegaties delegeren aan een zeekadetofficier van een plaatselijk korps.

d.         De International Liaison Officier dient tijdig begrotingsvoorstellen in bij het hoofdbestuur en draagt zorg voor de financiële verantwoording van de uitwisseling(-en). Hij is bevoegd tot het doen van uitgaven binnen de door het hoofdbestuur geaccordeerde uitwisselingsprogramma’s en begrotingen.

e.         Voor de accommodatie en het programma voor buitenlandse zeekadetten gedurende het landelijk zomerkamp overlegt hij met de commandant zomerkamp.

2.11.3. Schorsing en ontslag.

a.         Het hoofdbestuur is bevoegd een International Liaison Officer te schorsen of te ontslaan.

b.         De International Liaison Officer krijgt op zijn verzoek een schriftelijke motivering van de schorsing respectievelijk het ontslag.

2.12.    Beloningen.

2.12.1. Algemeen.

De vereniging kent de volgende beloningen.

a.         het ‘Erelidmaatschap’;

b.         het ‘Zilveren Koggeschip’;

c.         de ‘Zilveren Jakobsstaf’.

2.12.2. Erelidmaatschap.

a.         Het Erelidmaatschap wordt toegekend voor erkentelijkheid wegens ‘bijzondere verdiensten aan het Zeekadetkorps Nederland en/of een van de aangesloten Zeekadetkorpsen bewezen’.

b.         De algemene raad kan het Erelidmaatschap met inachtneming van de gestelde norm met twee/derde van de geldig uitgebrachte stemmen aan een ieder toekennen op voorstel van het hoofdbestuur.

2.12.3. Zilveren Koggeschip.

a.         Het Zilveren Koggeschip wordt toegekend voor erkentelijkheid wegens ‘grote persoonlijke diensten aan het Zeekadetkorps Nederland bewezen’.

b.         Het hoofdbestuur kan het Zilveren Koggeschip met inachtneming van de gestelde norm aan een ieder toekennen op eigen initiatief of op een met redenen omkleed verzoek.

c.         Het Zilveren Koggeschip bestaat uit een zilveren speld met bijbehorende oorkonde en een draaginsigne dat op het zeekadetuniform gedragen wordt, bestaande uit drie verticale even grote banen welke, van links naar rechts gezien, zijn de kleuren rood, wit en blauw.

2.12.4. Zilveren Jakobsstaf.

a.         De Zilveren Jakobsstaf wordt toegekend voor erkentelijkheid wegens ‘grote persoonlijke diensten aan één van de bij het Zeekadetkorps Nederland aangesloten Zeekadetkorpsen bewezen’.

b.         Het hoofdbestuur kan de Zilveren Jakobsstaf met inachtneming van de gestelde norm aan een ieder toekennen op eigen initiatief of op een met redenen omkleed verzoek.

c.         De Zilveren Jakobsstaf bestaat uit een zilveren speld met bijbehorende oorkonde en een draaginsigne dat op het zeekadetuniform gedragen wordt, bestaande uit negen verticale even grote banen welke, van links naar rechts gezien, drie maal zijn de kleuren rood, wit en blauw.

2.12.5. De procedure voor het aanvragen van een beloning staan op de pagina Procedures en Modellen van het Intranet van de vereniging.

2.13.    Onderscheidingen.

De vereniging kent de volgende onderscheidingen:

a.         Draaginsigne voor aaneengesloten lidmaatschap van de vereniging van tenminste vijf jaar;

b.         Draaginsigne uitgegeven voor deelname aan het landelijk zomerkamp;

c.         Draaginsigne uitgegeven voor deelname aan een nationale dodenherdenking;

d.         Draaginsigne uitgegeven voor allen die bij het vijfentwintigjarig bestaan (of een veelvoud daarvan) van de vereniging aangesloten waren bij de vereniging;

e.         Draaginsigne uitgegeven voor allen die bij het vijfentwintigjarig bestaan (of een veelvoud daarvan) van een plaatselijk zeekadetkorps aangesloten waren bij dat korps;

f.          Onderscheidingstekenen voor het deelgenomen hebben aan een internationale uitwisselingsreis.

2.13.2. De in dit artikel genoemde draaginsignes mogen uitsluitend bij het uniform van de vereniging gedragen worden.

2.13.3. Het dragen van andere draaginsignes is niet toegestaan, dit met uitzondering van koninklijke onderscheidingen.

2.13.4. Voor een gedetailleerde omschrijving van de draaginsignes en de draagvoorschriften, zie Bijlage G (Kleding, uitmonsteringen en onderscheidingen).

2.14.    Financiën.

2.14.1. Contributie.

a.         De plaatselijke organisaties zijn aan de vereniging een jaarlijkse contributie verschuldigd, die berekend wordt naar het totaal aantal personen dat bij de plaatselijke organisatie is betrokken.

b.         De hoogte van de jaarlijkse contributie per persoon wordt jaarlijks door de Algemene Raad vastgesteld.

2.14.2. Vergoeding.

a.         De vereniging kent geen bezoldiging in welke vorm dan ook toe aan personen, die bij de vereniging zijn betrokken.

b.         De voorwaarden, condities en hoogtes van de vergoedingen ter compensatie van reis- en verblijfskosten binnen Nederland en van de vergoeding van telefoonkosten zijn omschreven in bijlage F (Financiën en Verzekeringen).

2.15.    Verzekeringen.

2.15.1. Taken hoofdbestuur.

a.         Het hoofdbestuur sluit een verzekering af voor ‘Wettelijke Aansprakelijkheid’ van alle tot de vereniging en plaatselijke organisaties behorende personen tijdens de uitoefening van activiteiten voor of van de vereniging of plaatselijke organisatie.

b.         Het hoofdbestuur sluit een verzekering af voor de materiële middelen (opleidingsschepen, (wal-)onderkomens en kleine vaartuigen) die aan de vereniging in bruikleen zijn verstrekt, welke geheel of ten dele in eigendom zijn van de vereniging of die door de vereniging in bruikleen zijn gegeven aan een plaatselijke organisatie. Plaatselijke organisaties kunnen materiele middelen in eigendom aanmelden voor deze verzekering. In al deze situaties geldt:

1).        ter bepaling van de te verzekeren waarde rekening gehouden wordt met de opgave hiervan door het plaatselijk bestuur dat de zaak in gebruik heeft;

2).        de kosten ten laste komen van de plaatselijke organisatie die eigenaar of bruikleennemer is.

c.         Het hoofdbestuur is bevoegd een plaatselijk bestuur het gebruik van een korpsschip, (klein) vaartuig en/of walonderkomen te ontzeggen indien het object niet of niet afdoende verzekerd is alsmede in die gevallen waarin niet voldaan wordt aan de gestelde polisvoorwaarden.

2.15.2. Schadeverhaal.

De aanmelding en afhandeling van schades welke onder de collectieve, onder verantwoording van het hoofdbestuur afgesloten, verzekeringen vallen, vindt uitsluitend plaats door tussenkomst van het hoofdbestuur en de door het hoofdbestuur aangewezen verzekeringsadviseur.

2.15.3. Detailregelingen en procedures omtrent verzekeringen zijn omschreven in bijlage F (Financiën en Verzekeringen).

2.16.    Korpsvlag.

2.16.1. De vlag van de vereniging, aan te duiden als korpsvlag, is als volgt samengesteld.

a.         Een witte ondergrond;

b.         Een doorlopend rood-wit-blauw kruis met een breedte van één kwart van de hoogte van de vlag, waarvan de horizontale baan de vlag in twee gelijke delen scheidt en de verticale baan zich op één derde vanaf de zijde van de vlaggenlijn bevindt;

c.         Op het kruispunt van het rood-wit-blauwe kruis bevindt zich een oranje cirkel met een doorsnee van drie tiende van de lengte van de vlag met daarop een blauw koggeschip,.

2.16.2. Korpsvlaggen kunnen worden aangeschaft via de door het hoofdbestuur aangewezen beheerder korpsvlaggen.

2.16.3. Voor het gebruik van de korpsvlag, en eventuele andere vlaggen, zie bijlage H (Ceremonieel).

Hoofdstuk 3 - Plaatselijke organisatie

3.         Plaatselijke organisatie.

3.1.      Samenstelling plaatselijke organisatie.

3.1.1.   De plaatselijke organisatie bestaat uit.

a.         Het plaatselijk bestuur;

b.         Het plaatselijk korps;

c.         De overige vrijwilligers.

3.2.      Plaatselijk bestuur.

3.2.1.   Samenstelling.

a.         Het plaatselijk bestuur bestaat uit tenminste drie personen, die uit hun midden een voorzitter, secretaris en penningmeester aanwijzen.

b.         Het bestuur wijst één der bestuursleden, niet zijnde de voorzitter, aan als vicevoorzitter.

c.         Naast de onder a en b genoemde functies wijst het bestuur uit zijn midden een commissaris opleidingen, een commissaris public relations en een commissaris techniek en veiligheid aan.

d.         De functie van commissaris mag met een andere functie worden gecombineerd.

e.         De commandant of zijn plaatsvervanger is in beginsel lid van het lokale bestuur.

3.2.2.   Werkwijze.

Met inachtneming van het in dit huishoudelijk reglement bepaalde, regelt ieder plaatselijk bestuur zijn eigen organisatie en werkwijze.

3.2.3.   Verantwoording.

Het plaatselijke bestuur is aan het hoofdbestuur verantwoording verschuldigd voor.

a.         goed en zorgvuldig gebruik van de aan de plaatselijke organisatie in eigendom en in bruikleen gegeven vaartuigen, gebouwen, materialen, kleding en leermiddelen;

b.         een deugdelijk administratief en financieel beheer van de plaatselijke organisatie alsmede het tijdig nakomen van de daaraan verbonden administratieve verplichtingen;

c.         het verdelen van de functies over de kaderleden volgens de hiertoe gestelde richtlijnen en bepalingen in dit reglement;

d.         het vaststellen van het aantal tot het plaatselijk korps toe te laten jeugdleden;

e.         een goed overleg met de commandant en de kaderleden omtrent de plaatselijke korpsactiviteiten en de wijze waarop het plaatselijke korps invulling geeft aan de doelstelling van de vereniging;

f.          een goede opleiding van de tot de plaatselijke korpsen behorende jeugdleden;

g.         de juiste uitvoering van dit reglement voor zover dit op de plaatselijke organisatie van toepassing is.

3.3.      Korpsschepen.

Het plaatselijk bestuur meldt aan het hoofdbestuur de aankoop, het in buikleen nemen, de verkoop en de beëindiging van de bruikleen van het korpsschip, alsmede – grote – aanpassingen aan het korpsschip en overlegt daarbij een afschrift van de overeenkomst respectievelijk een korte beschrijving van de aanpassing.

3.4.      Administratieve verplichtingen.

3.4.1.   Het plaatselijk bestuur stelt jaarlijks een algemeen jaarverslag op waaruit blijkt wat de activiteiten zijn van de plaatselijke organisatie, in het bijzonder die van het plaatselijke korps, alsmede een financieel jaarverslag en dient die verslagen voor 1 maart in bij het hoofdbestuur ter kennisneming.

3.4.2.   Het plaatselijk bestuur stelt jaarlijks een ondernemingsplan op dat inzicht geeft in de activiteiten van de plaatselijke organisatie, in het bijzonder die van het plaatselijke korps, alsmede een begroting voor het komende jaar en een beleidsplan voor de komende drie jaren en dient die stukken voor 1 oktober in bij het hoofdbestuur.

3.4.3.   Het plaatselijk bestuur stelt een huishoudelijk reglement vast waarin in aanvulling op de statuten van de vereniging, de statuten van de plaatselijke organisatie en het huishoudelijk reglement van de vereniging, richtlijnen staan voor de plaatselijke organisatie en dient een exemplaar daarvan in bij het hoofdbestuur.

3.4.4.   Het plaatselijk bestuur stelt schriftelijk richtlijnen op voor de commandant.

3.5.      Plaatselijke financiën.

3.5.1.   Contributie.

a.         De jeugdleden zijn een contributie verschuldigd aan de plaatselijke organisatie.

b.         Het plaatselijk bestuur bepaalt de hoogte en betalingswijze van de contributie.

3.5.2.   Entreegeld en borgstelling.

a.         Het plaatselijk bestuur is bevoegd tot het heffen van een eenmalig entreegeld van jeugdleden, bij het lid worden van het plaatselijk korps.

b.         Het plaatselijk bestuur is bevoegd tot het heffen van een financiële borgstelling, welke bij beëindiging van het lidmaatschap van het korps gerestitueerd wordt, minus de waarde van vermiste en/of beschadigde goederen welke aan het desbetreffende lid in bruikleen gegeven zijn.

3.5.3.   Deelnemersbijdrage.

Het plaatselijk bestuur is bevoegd tot het heffen van een bijdrage van elke deelnemer, die aan een bijzondere activiteit deelneemt.

3.5.4.   Vergoeding.

a.         De plaatselijke organisatie kent geen bezoldiging in welke vorm dan ook toe aan personen, die bij de plaatselijke organisatie zijn betrokken.

b.         Reis-, en verblijfs- en telefoonkosten.

De voorwaarden, condities en hoogtes van de vergoedingen ter compensatie van reis- en verblijfskosten binnen Nederland en van de vergoeding van telefoonkosten zijn omschreven in bijlage F (Financiën en Verzekeringen).

3.6.      Verzekeringen.

3.6.1.   Het plaatselijk bestuur verzekert alle materiële middelen, welke voor risico zijn van de plaatselijke organisatie, waarbij het plaatselijk bestuur:

a.         of gebruik kan maken van de collectieve verzekering, die het hoofdbestuur heeft afgesloten, dit met aanvaarding van de hieraan verbonden kosten;

b.         of naar eigen keuze zelf de verzekering(-en) kan afsluiten.

3.6.2.   Het plaatselijk bestuur zendt desgevraagd een afschrift van het geldende polisblad naar het hoofdbestuur.

3.6.3.   Voor al het materieel, in gebruik bij het plaatselijke korps, zowel voor materieel in eigendom als in bruikleen, draagt het plaatselijk bestuur de verantwoording dat de waarde van het te verzekeren object reëel is en als zodanig vermeld staat in de verzekeringspolis.

3.7.      Overige vrijwilligers.

3.7.1.   Benoeming.

a.         Het plaatselijk bestuur kan vrijwilligers, die niet tot het plaatselijk korps behoren, aanstellen voor bepaalde tijd of voor onbepaalde tijd.

b.         In het aanstellingsbesluit worden de personalia van de vrijwilliger volledig vermeld.

c.         De vrijwilliger stelt op het besluit dat hij de aanstelling aanvaardt en zich zal houden aan de statuten en het huishoudelijk reglement van de vereniging en aan de statuten en het huishoudelijk reglement van de plaatselijke organisatie.

d.         Alvorens zijn vrijwilligerswerk te aanvaarden overlegt de vrijwilliger een Verklaring Omtrent Gedrag.

3.7.2.   Taak.

a.         De vrijwilliger verricht werkzaamheden, die in het aanstellingsbesluit zijn genoemd.

b.         De vrijwilliger gaat bij de uitvoering van zijn taak uit van de aanwijzingen van de functionaris, die daarvoor in het aanstellingsbesluit is genoemd.

3.7.3.   Schorsing en ontslag.

a.         Het plaatselijk bestuur is bevoegd een vrijwilliger te schorsen of te ontslaan.

b.         De vrijwilliger krijgt op zijn verzoek een schriftelijke motivering van de schorsing respectievelijk het ontslag.

3.7.4.   Besluiten.

De besluiten van benoeming, schorsing en ontslag worden in tweevoud opgesteld; een exemplaar voor de vrijwilliger en een exemplaar voor het plaatselijk bestuur.

Hoofdstuk 4 - Plaatselijk korps

Hoofdstuk 4 – Plaatselijk korps.

4.         Plaatselijk Korps.

4.1.      Samenstelling.

4.1.1.   Leden.

a.         Lid van het plaatselijk korps zijn.

1).        de leden van de korpsleiding;

2).        de jeugdleden;

3).        Overige vrijwilligers die de korpsleiding assisteren.

b.         Leden van de korpsleiding zijn de vrijwilligers, die leiding geven aan de jeugdactiviteiten.

c.         De omvang van de korpsleiding is maximaal 40% van de korpssterkte.

d.         Jeugdleden zijn de deelnemers aan de jeugdactiviteiten.

e.         Jeugdleden zijn tenminste 9 jaar oud en ten hoogste 23 jaar.

4.1.2.   Commandant.

a.         De functie van Commandant wordt vervuld door een zeekadetofficier der eerste klasse.

b.         Bij afwezigheid van of bij vacant zijn van de functie van commandant wordt deze voor maximaal één jaar waargenomen door de eerste officier.

c.         De commandant.

1).        is belast met de dagelijkse leiding over het plaatselijke korps;

2).        is belast met het toezicht op en de opleiding van de jeugdleden;

3).        brengt ten aanzien van organisatorische en disciplinaire aangelegenheden advies uit aan het plaatselijk bestuur;

4).        is aan het plaatselijk bestuur verantwoording verschuldigd voor de uitvoering van zijn taak.

4.1.3.   Eerste officier.

a.         De functie van Eerste Officier wordt in beginsel vervuld door een zeekadetofficier der tweede klasse oudste categorie.

b.         De eerste officier is plaatsvervangend commandant.

4.1.4.   Chef der equipage.

a.         De functie chef der equipage wordt in beginsel vervuld door een opperschipper.

b.         De chef der equipage onderofficieren, zeekadetten en aspirant-zeekadetten.

4.1.5.   Bezetting van functies.

a.         De functies van commandant, eerste officier en chef der équipage worden elk aan één persoon toebedeeld.

b.         De functies van hoofd nautische dienst, hoofd technische dienst en hoofd logistieke dienst mogen over twee personen worden verdeeld, indien (tenminste) een van beiden wegens zijn beroep regelmatig langere tijd afwezig is.

c.         De functies van eerste officier, hoofd nautische dienst, hoofd technische dienst en hoofd logistieke dienst mogen worden gecombineerd waarbij niet meer dan twee functies door één persoon worden vervuld.

4.2.      Structuur.

4.2.1.   Basis.

a.         De basisstructuur van het plaatselijk korps telt drie diensten:

1).        Nautische Dienst;

2).        Technische Dienst;

3).        Logistieke Dienst.

b.         Afhankelijk van de sterkte en mogelijkheden van het plaatselijke korps kan binnen de divisie Nautische Dienst een Verbindingsdienst bestaan.

4.2.2.   Voor een gedetailleerde omschrijving van de organisatie en taken van de diensten, zie bijlage E (Organisatie plaatselijke korpsen)

4.3.      Korpsleiding.

4.3.1.   Rangen.

a.         Leden van de korpsleiding bekleden de rangen.

1).        Zeekadetofficier der eerste klasse;

2).        Zeekadetofficier der tweede klasse oudste categorie;

3).        Zeekadetofficier der tweede klasse;

4).        Zeekadetofficier der derde klasse;

5).        Opperschipper;

6).        Schipper.

b.         De rang zeekadetofficier der eerste klasse kan alleen worden toegekend aan de commandant.

c.         Tussen de leden van de korpsleiding bestaat een gezagsverhouding, die bepaald wordt door de rangorde genoemd onder a.

d.         Voor een gedetailleerde omschrijving van de vereisten om een bepaalde rang te bekleden, zie bijlage E (Organisatie plaatselijke korpsen).

4.3.2.   Benoeming.

a.         De commandant is een vrijwilliger die, op voordracht van het plaatselijke bestuur, door het hoofdbestuur wordt aangesteld.

b.         Het plaatselijk bestuur kan vrijwilligers aanstellen als lid van de korpsleiding voor functies waaraan maximaal de rang van zeekadetofficier der tweede klasse oudste categorie is verbonden.

c.         In het aanstellingsbesluit worden de personalia van het lid van de korpsleiding volledig vermeld, alsmede de te bekleden rang.

d.         Het lid van de korpsleiding stelt op het besluit dat hij de aanstelling aanvaardt en zich zal houden aan de statuten en het huishoudelijk reglement van de vereniging en aan de statuten en het huishoudelijk reglement van de plaatselijke organisatie.

e.         Alvorens zijn vrijwilligerswerk als lid van de korpsleiding te aanvaarden overlegt het lid van de korpsleiding een Verklaring Omtrent Gedrag.

4.3.3.   Schorsing.

a.         Het hoofdbestuur bevoegd de commandant hangende een onderzoek inzake een voordracht tot ongevraagd ontslag, te schorsen voor de duur van het onderzoek.

b.         Het plaatselijk bestuur bevoegd een door haar benoemd lid van de korpsleiding hangende een onderzoek inzake een voordracht tot ongevraagd ontslag, te schorsen voor de duur van het onderzoek.

c.         Gedurende een schorsing is het lid van de korpsleiding niet toegestaan:

1).        deel te nemen aan enige activiteit van een plaatselijk korps en/of de vereniging;

2).        enig (wal-)onderkomen of vaartuig van een plaatselijk korps te betreden, anders dan na verkregen toestemming van het plaatselijk bestuur;

3).        zich te kleden in het uniform of werktenue of op andere wijze als lid van het plaatselijk korps te presenteren.

d.         Indien het hoofdbestuur respectievelijk het plaatselijk bestuur besluit niet tot ongevraagd ontslag te besluiten, eindigt de schorsing terstond.

e.         Het lid van de korpsleiding krijgt op zijn verzoek een schriftelijke motivering van de schorsing.

4.3.4.   Ontslag.

a.         Het hoofdbestuur is bevoegd de commandant al of niet op zijn verzoek te ontslaan.

b.         Het plaatselijk bestuur is bevoegd een door haar benoemd lid van de korpsleiding al of niet op zijn verzoek te ontslaan.

c.         Ontslag niet op verzoek is mogelijk indien het lid van de korpsleiding voor die functie ongeschikt is of door zijn gedrag de plaatselijke organisatie en/of de vereniging schaadt.

d.         Alvorens het hoofdbestuur respectievelijk het plaatselijk bestuur tot ontslag niet op verzoek besluit, krijgt het lid van de korpsleiding de gelegenheid zijn zienswijze kenbaar te maken.

e.         Het hoofdbestuur respectievelijk het plaatselijk bestuur verleent het ontslag.

1).        zonder vermelding van verdiensten;

2).        op eervolle wijze met dank voor de bewezen diensten;

3).        op meest eervolle wijze met dank voor de bewezen uitmuntende diensten.

f.          Het lid van de korpsleiding krijgt op zijn verzoek een schriftelijke motivering van het ontslag.

4.3.5.   Besluiten.

De besluiten van benoeming, schorsing en ontslag worden in drievoud opgesteld; een exemplaar voor de vrijwilliger, een exemplaar voor het plaatselijk bestuur en een exemplaar voor het hoofdbestuur.

4.4.      Jeugdleden.

4.4.1.   Standen en rangen.

a.         Jeugdleden bekleden de rangen en standen:

1).        Bootsman;

2).        Kwartiermeester;

3).        Zeekadet der eerste klasse.

4).        Zeekadet er tweede klasse;

5).        Zeekadet der derde klasse;

6).        Aspirant zeekadet.

7).        Ketelbinkie.

b.         De rangen en standen zijn afhankelijk van de ontwikkeling van het jeugdlid binnen het korps.

c.         De commandant stelt de rang of stand van de jeugdleden vast.

d.         De besluiten van vaststelling van de rang of stand worden in tweevoud opgesteld; een exemplaar voor het jeugdlid en een exemplaar voor het plaatselijk bestuur.

e.         De jeugdleden houden zich aan de aanwijzingen van de korpsleiding.

f.          Tussen de jeugdleden bestaat een beperkte gezagsverhouding, die bepaald wordt door de rangorde genoemd onder a.

g.         Voor een gedetailleerde omschrijving van de vereisten om een bepaalde rang of stand te bekleden, zie bijlage E (Organisatie plaatselijke korpsen).

4.4.2.   Toelating.

a.         Degene, die het wettelijk gezag uitoefent, kan onder vermelding van de personalia een jeugdlid aanmelden en verklaart daarbij schriftelijk dat het jeugdlid zich zal houden aan de statuten en het huishoudelijk reglement van de vereniging en aan de statuten en het huishoudelijk reglement van de plaatselijke organisatie.

b.         De commandant beslist over de toelating en vermeldt in het besluit de personalia van het jeugdlid, alsmede de te bekleden stand of rang.

4.4.3.   Schorsing.

a.         Het plaatselijk bestuur is bevoegd een jeugdlid voor maximaal twee maanden te schorsen.

b.         Alvorens het plaatselijk bestuur tot schorsing als bedoeld onder a besluit, krijgen het jeugdlid en – indien het jeugdlid minderjarig is – degene, die het wettelijk gezag uitoefent, de gelegenheid hun zienswijze kenbaar te maken.

c.         Het plaatselijk bestuur is bevoegd een jeugdlid hangende een onderzoek inzake een voordracht tot ongevraagde beëindiging van het lidmaatschap, te schorsen voor de duur van het onderzoek.

d.         Gedurende een schorsing is het het jeugdlid niet toegestaan om.

1).        deel te nemen aan enige activiteit van een plaatselijk korps en/of de vereniging;

2).        enig (wal-)onderkomen of vaartuig van een plaatselijk korps te betreden, anders dan na verkregen toestemming van het plaatselijk bestuur;

3).        zich te kleden in het uniform of werktenue of op andere wijze als lid van het plaatselijk korps te presenteren.

e.         Indien het plaatselijk bestuur besluit niet tot ongevraagd ontslag te besluiten, eindigt de schorsing terstond.

f.          Het jeugdlid en – indien het jeugdlid minderjarig is – degene, die het wettelijk gezag uitoefent, krijgen op hun verzoek een schriftelijke motivering van de schorsing.

4.4.4.   Beëindiging.

a.         De commandant is bevoegd het lidmaatschap van het korps van een jeugdlid op zijn verzoek te beëindigen.

b.         De commandant beëindigt het lidmaatschap van het korps van een jeugdlid, dat de leeftijd van 24 jaar bereikt.

c.         Het plaatselijk bestuur is bevoegd het lidmaatschap van het korps van een jeugdlid niet op zijn verzoek, anders dan bedoeld onder b, te beëindigen.

d.         Beëindiging niet op verzoek is mogelijk indien het jeugdlid voor het lidmaatschap van het korps ongeschikt is of door zijn gedrag de plaatselijke organisatie en/of de vereniging schaadt.

e.         Alvorens het plaatselijk bestuur tot beëindiging niet op verzoek besluit, krijgen het jeugdlid en – indien het jeugdlid minderjarig is – degene, die het wettelijk gezag uitoefent, de gelegenheid hun zienswijze kenbaar te maken.

f.          Het jeugdlid en – indien het jeugdlid minderjarig is – degene, die het wettelijk gezag uitoefent, krijgen op hun verzoek een schriftelijke motivering van de beëindiging.

4.4.5.   Besluiten.

a.         De besluiten van benoeming, schorsing en beëindiging worden in tweevoud en indien nodig in drievoud opgesteld; een exemplaar voor het jeugdlid, een exemplaar – indien het jeugdlid minderjarig is – voor degene, die het wettelijk gezag uitoefent, en een exemplaar voor het plaatselijk bestuur.

4.4.6.   Getuigschrift.

a.         Een jeugdlid, dat het plaatselijk korps verlaat dan wel lid van de korpsleiding wordt, kan een getuigschrift ontvangen, indien hij op juiste wijze de opleidingen heeft gevolgd en een bijzondere belangstelling voor de scheepvaart heeft getoond.

b.         Een jeugdlid kan eerder dan het onder a genoemde moment een – tussentijds – getuigschrift ontvangen, indien hij tot dan toe op juiste wijze de opleidingen heeft gevolgd en een bijzondere belangstelling voor de scheepvaart heeft getoond.

c.         De commandant of eerste officier stelt het getuigschrift op conform het door het hoofdbestuur vastgestelde model als omschreven op de pagina Procedures en Modellen van het Intranet van de vereniging en vermeldt daarop de brevetten, certificaten en diploma’s, die het jeugdlid heeft behaald.

d.         Het getuigschrift wordt door een lid van het hoofdbestuur ondertekend.

4.5.      Activiteiten.

4.5.1.   Korpsdag.

a.         Buiten de vakantieperiode vindt tenminste één maal per week, bij voorkeur op de zaterdag, bij ieder plaatselijk korps een samenkomst plaats van de tot dat korps behorende leden van de korpsleidingleden en jeugdleden.

b.         Jeugdleden zijn verplicht deze samenkomsten te bezoeken en de lessen volgens het rooster te volgen, tenzij de commandant van het plaatselijk korps anders bepaalt.

c.         Indien een jeugdlid meer malen zonder geldige redenen verzuimt kan hij worden geschorst of zijn lidmaatschap worden beëindigd.

4.5.2.   Exercitie.

Het exercitievoorschrift voor leden van de korpsleiding en jeugdleden is beschreven in de leermiddelen van de vereniging.

4.5.3.   Eerbewijzen.

Het geven van eerbewijzen is beperkt tot

a.         het halt houden, front maken en groeten van de Nederlandse vlag bij het aan en van boord gaan van een korpsschip, een schip van de Koninklijke Marine of een schip van een buitenlandse marine,

b.         het houden van vlaggenparade

c.         het groeten van militaire vaandels.

4.5.4.   Vlaggenparade.

De procedure voor het houden van de vlaggenparade staat in bijlage H (Ceremonieel).

4.5.5.   Baksgewijs.

a.         Plaatselijk baksgewijs wordt gehouden bij aanvang en einde van de korpsdag en staat onder leiding van de officier van de wacht;

b.         De commandant bepaalt het tenue voor het baksgewijs.

c.         De procedure voor het houden van baksgewijs staat in bijlage H (Ceremonieel).

d.         Bij het landelijk zomerkamp en bij gezamenlijke activiteiten van meer korpsen wordt een gezamenlijk baksgewijs gehouden bij aanvang en sluiting van het evenement en staat onder leiding van de commandant zomerkamp dan wel de zeekadetofficier, die de leiding van het evenement heeft of bij het ontbreken hiervan onder leiding van de commandant met de meeste anciënniteit; de commandant zomerkamp dan wel de leider van de gezamenlijke activiteiten bepaalt het tenue.

e.         De wijze van aantreden bij het baksgewijs is:

1).        zeekadetofficieren treden gezamenlijk aan;

2).        zeekadetonderofficieren treden gezamenlijk aan;

3).        plaatselijk baksgewijs: (aspirant-)zeekadetten en ketelbinkies treden per bak aan onder leiding van de baksmeester die op de rechter flank, ter hoogte van het eerste gelid van de bak staat opgesteld;

4).        (aspirant-)zeekadetten en ketelbinkies treden bij een baksgewijs als bedoeld onder c per korps aan onder leiding van een kwartiermeester die als baksmeester fungeert en op de rechter flank, ter hoogte van het eerste gelid van de bak staat opgesteld.

4.6.      Kleding.

4.6.1.   Algemeen.

a.         Het uniform en het werktenue worden in beginsel alleen tijdens korpsactiviteiten gedragen naar regelen door de commandant te stellen, met dien verstande dat.

1).        het uniform en het werktenue gedragen worden tijdens de korps(mid)dag;

2).        het uniform en het werktenue gedragen worden bij gezamenlijke activiteiten van korpsen.

b.         Het uniform wordt gedragen bij gelegenheden waarbij de vereniging vertegenwoordigd wordt of opgetreden wordt namens de vereniging, zulks ter beoordeling van het hoofdbestuur.

4.6.2.   Kosten en verwerving.

a.         De verwerving van uniform, werktenue en uitmonstering komt ten laste van het plaatselijke korps indien dat is ten behoeve van korpsleden en ten laste van de vereniging indien dat is ten behoeve van officieren van speciale diensten.

b.         Het hoofdbestuur regelt mogelijkheden voor de aanschaf van het uniform en het werktenue en wijst daarvoor een functionaris aan.

c.         Uitmonstering wordt aangeschaft bij de door het hoofdbestuur aangewezen functionaris.

4.6.3.   Voor een gedetailleerde omschrijving van uniform en werktenue zie bijlage G (Kleding, Uitmonstering En Onderscheidingen).

4.7.      Rang- en standonderscheidingstekenen.

4.7.1.   Zeekadetofficieren.

De rangonderscheidingstekenen van zeekadetofficieren zijn.

a.         zeekadetofficier der eerste klasse: twee brede galons met daar tussen één smalle goudgalon waarbij de bovenste galon is voorzien van een driehoekskrul;

b.         zeekadetofficier der tweede klasse oudste categorie: twee brede goudgalons waarbij de bovenste goudgalon is voorzien van een driehoekskrul;

c.         zeekadetofficier der tweede klasse: één brede goudgalon met daaronder één smalle goudgalon waarbij de bovenste galon is voorzien van een driehoekskrul;

d.         zeekadetofficier der derde klasse: één brede goudgalon voorzien van een driehoekskrul.

4.7.2.   Zeekadetonderofficieren.

De rangonderscheidingstekenen van zeekadetonderofficieren zijn.

a.         opperschipper: één smalle goudgalon voorzien van driehoekskrul;

b.         schipper: vier evenwijdige schuin naar boven lopende brede strepen van gouddraad;

c.         bootsman: drie evenwijdige schuin naar boven lopende brede strepen van gouddraad;

d.         kwartiermeester: twee evenwijdige schuin naar boven lopende brede strepen van gouddraad.

4.7.3.   Zeekadetten.

De standonderscheidingstekenen van zeekadetten zijn.

a.         zeekadet der eerste klasse: één brede naar boven lopende streep van gouddraad;

b.         zeekadet der tweede klasse: één smalle naar boven lopende streep van gouddraad;

c.         zeekadet der derde klasse: geen onderscheidingsteken.

4.8.      Leermiddelen.

4.8.1.   Samenstelling.

a.         De algemene raad stelt de leerstof en leermiddelen ten behoeve van de opleidingen bij de plaatselijke korpsen vast.

b.         Het samenstellen van de leerstof, de leermiddelen en de structuur van de opleidingen is permanent gedelegeerd aan de commissie Opleidingen.

c.         De commissie Opleidingen kan aanwijzingen geven in het gebruik van de leermiddelen.

4.8.2.   Beheer en uitgifte.

a.         De leermiddelen zijn in beheer bij een door het hoofdbestuur of de commissie opleidingen aan te wijzen functionaris.

b.         Het plaatselijk bestuur vraagt de leermiddelen schriftelijk aan bij die functionaris.

4.8.3.   Kostenverrekening

a.         Bij de introductie van een nieuw leerboek ontvang ieder plaatselijk korps eenmalig een eerste verstrekking zonder kostenverrekening.

b.         Nieuwe korpsen krijgen bij oprichting eenmalig een initiële verstrekking leermiddelen zonder kostenverrekening.

c.         Het hoofdbestuur kan bepalen dat voor volgende leveringen aan de plaatselijke organisatie kosten in rekening worden gebracht.

4.9.      Brevetten.

4.9.1.   Algemeen.

Aan zeekadetonderofficieren en zeekadetten kunnen met inachtneming van de daartoe door het hoofdbestuur vastgestelde vaardigheidseisen de volgende brevetten worden toegekend.

a.         Sloepgast der tweede klasse;

b.         Sloepgast der eerste klasse;

c.         Meestersloepgast;

d.         Machinist der tweede klasse;

e.         Machinist der eerste klasse;

f.          Seiner der tweede klasse;

g.         Seiner der eerste klasse;

h.         Hofmeester der tweede klasse;

i.          Hofmeester der eerste klasse;

j.          Scheepsbeveiliger;

k.         Eerste hulp bij ongevallen.

4.9.2.   Toekenning.

Toekenning door de commandant vindt plaats nadat het aan het brevet verbonden opleidingsprogramma met succes doorlopen en geëxamineerd is door een daartoe bij het plaatselijke korps door de commandant, onder goedkeuring van het plaatselijk bestuur, aangewezen functionaris.

4.9.3.   Brevetonderscheidingsteken.

a.         Een toegekend brevet wordt op het uniform van opperschipper tot en met zeekadet tot uiting gebracht door het met het brevet corresponderende brevetonderscheidingsteken, waarvan het model door het hoofdbestuur wordt vastgesteld;

b.         De brevetonderscheidingstekenen worden gedragen op de rechtermouw. Er kunnen maximaal twee brevetonderscheidingstekenen gedragen worden

4.10.    Kleurschema vaartuigen.

4.10.1. Korpsschepen.

De kleurstelling van de korpsschepen is.

a.         scheepshuid, vanaf de waterlijn tot aan de deklijn, en dekwerktuigen: zwart RAL 9005;

b.         Dekhuis/-huizen, luikhoofden en masten: crème RAL 1015;

c.         Schoorsteen: zwart RAL 9005, voorzien van een rood-wit-blauwe band;

d.         Reling, stuurhuis, berghouten, deklijnen: wit RAL 9010;

e.         Contouren dekhuizen, biezen op dekhuizen etc.: bruin RAL 8007;

f.          Dekken: grijs RAL 7024;

g.         Naam van het schip aan weerszijden van het vaartuig in witte letters of in witte letters tegen een zwarte achtergrond indien de lijn van de scheepsromp zich leent tot deze kleurstelling; indien het vaartuig aan weerszijden van de dekbehuizing voorzien is van een – houten – naambord, kan de scheepsnaam desgewenst achterwege blijven;

h.         Naam van het korps, voorafgegaan door het woord ‘zeekadetkorps’, in witte letters op de achtersteven/spiegel of in witte letters op een zwarte achtergrond indien de lijn van de scheepsromp zich tot deze kleurstelling leent, desgewenst te vervangen door plaatsing van kleden of borden met het zelfde opschrift;

i.          Het logo van de vereniging bij voorkeur op de rood-wit-blauwe band op de schoorsteen en bij het ontbreken van een schoorsteen elders op het vaartuig.

4.10.2. Beenhakkervletten.

De kleurstelling van de beenhakkervletten is.

a.         Dolboord en berghout: blauw RAL 5005;

b.         Boeisel: wit RAL 9010;

c.         Binnenzijde: grijs RAL 7024;

d.         Romp boven de waterlijn tot aan de dolboorden: blauw RAL 5005;

e.         Korpsnaam voorafgegaan door voorvoegsel ‘ZKK’ op de achtersteven: wit;

f.          Mast, boom en gaffel: gelijnolied of blank gelakt;

g.         Riemen: gelijnolied of gelakt met witte bladen;

h.         Grootzeil: voorzien van het logo van de vereniging.

4.10.3. Overige kleine vaartuigen.

De kleurstelling van de overige kleine vaartuigen is zover het de constructie toelaat als in het tweede lid van dit artikel, waarbij, indien van toepassing, ook gekeken kan worden naar de kleurstelling in het eerste lid.

4.10.4. Uitzondering.

Delen van de vaartuigen welke geen of slechts een transparante conservering behoeven, zoals houten stuurhut, roestvrij stalen delen, houten dekken, mogen met instemming van het plaatselijk bestuur in de materiaalkleur blijven.

4.11.    Landelijk Zomerkamp.

4.11.1. Doelstelling.

De doelstellingen van het jaarlijkse zomerkamp zijn in volgorde van belangrijkheid.

a.         het op een plezierige manier in de praktijk toetsen van de door de korpsleden opgedane kennis en vaardigheden;

b.         het bevorderen van de band en onderlinge saamhorigheid tussen de plaatselijke korpsen;

c.         het naar de sponsors van zowel de plaatselijke organisatie als de vereniging, presenteren van de zeekadetkorpsen tijdens een relatiedag.

4.11.2. Organisatie.

a.         De Inspecteur KM treedt op als commandant zomerkamp;

b.         Indien de Inspecteur KM niet beschikbaar is, zoekt hij binnen de Koninklijke Marine naar een geschikte vervanger en draagt deze voor bij het hoofdbestuur. Indien binnen de Koninklijke Marine geen vervanger beschikbaar is, wijst het hoofdbestuur een vrijwilliger voor deze functie aan.

c.         De commandant zomerkamp is belast met de voorbereiding, organisatie en directe leiding van het zomerkamp.

4.11.3. De commandant zomerkamp draagt zorg voor.

a.         het tijdig opstellen van een draaiboek dat alle facetten van de organisatie, taken, bevoegdheden, detailregelingen, (wedstrijd-)reglementen, vaarbewegingen, havenbezoeken, afmeerplannen, ankerplannen en dagprogramma’s gedetailleerd weergeeft;

b.         Het tijdig bij het hoofdbestuur indienen van een begroting voor de realisatie van het zomerkamp;.

c.         Het in overleg met de international liaison officier accommoderen van de in het kader van internationale uitwisseling aan het zomerkamp deelnemende buitenlandse zeekadetten;

d.         Het binnen zes weken na afloop van het zomerkamp afleggen van financiële verantwoording en de afdracht van (kas-)gelden aan de penningmeester van het hoofdbestuur.

4.11.4. De commandant zomerkamp is bevoegd tot.

a.         Toewijzen van de organisatie van programmaonderdelen aan de deelnemende korpsen;

b.         Tijdens het zomerkamp toewijzen van de coördinatie van dag- en avondprogramma’s aan de deelnemende korpsen;

c.         Het zowel vooraf als tijdens het zomerkamp uitsluiten van een korps van deelname aan het zomerkamp, op grond van.

1).        vermeend of geconstateerd wangedrag van een korps of een lid daarvan;

2).        een vermeende of geconstateerde tekortkoming in de bedrijfsvoering bij een korps, waarbij de persoonlijke veiligheid niet redelijker wijs te waarborgen is of waarbij de bedrijfsvoering niet verenigbaar is met de (inter-)nationale wetgeving, de statuten en het huishoudelijk reglement van de vereniging en/of de plaatselijk organisatie.

4.11.5. Tijdstip en locatie.

De commandant zomerkamp bepaalt in overleg met de commandantenvergadering het tijdstip waarop en de locatie waar het zomerkamp gehouden wordt; hij houdt hierbij rekening met.

a.         De vakantiespreiding in het onderwijs;

b.         De beschikbare diepte;

c.         De relatiedag.

4.11.6. Deelname.

Deelname aan het landelijk zomerkamp staat open voor alle plaatselijke korpsen, met inachtneming van het volgende.

a.         Het minimaal aantal plaatselijke korpsen dat deelneemt bedraagt zeven;

b.         Met uitzondering van de jaren waarin een jubileum van de vereniging valt, bedraagt het maximum aantal korpsen dat deel neemt twaalf; de commandant zomerkamp kan met inachtneming van locatie en veiligheid, dit aantal verhogen tot vijftien;

c.         Ieder plaatselijk korps dient in de jaren waarin een jubileum van de vereniging valt, deel te nemen en in de telkens vier tussenliggende jaren twee keer deel te nemen.

4.11.7. Rapportage.

a.         De commandant zomerkamp rapporteert binnen drie maanden na afloop van het zomerkamp, schriftelijk aan het hoofdbestuur zijn bevindingen betreffende het zomerkamp; het hoofdbestuur neemt een samenvatting op in het algemeen jaarverslag.

b.         De rapportage bevat tenminste.

1).        een overzicht van het tijdstip, de locatie(-s) waar het zomerkamp gehouden is alsmede de dagprogramma’s;

2).        de behaalde resultaten bij de diverse programmaonderdelen;

3).        Een aantal foto’s met hoge resolutie voor public relations aangelegenheden.

4).        een beknopt verslag van de participatie van buitenlandse zeekadetten;

5).        een overzicht van de tijdens de voorbereiding en uitvoering ervaren problemen, knel- en aandachtspunten;

6).        conclusies en aanbevelingen voor het volgende zomerkamp.

4.12.    Legitimatiebewijs.

4.12.1. Ieder lid van het plaatselijk korps ontvangt een legitimatiebewijs.

4.12.2. Het hoofdbestuur kan bepalen dat ook aan anderen, die deel uitmaken van de vereniging of een plaatselijke organisatie, een legitimatiebewijs kan worden verstrekt.

4.12.3. Het hoofdbestuur stelt het model van het legitimatiebewijs vast.

4.12.4. Het legitimatiebewijs wordt ondertekend door de secretaris van het plaatselijk bestuur dan wel de secretaris van het hoofdbestuur.

4.12.5. Als bij toegang tot een locatie, waar een activiteit van het plaatselijke korps of van de vereniging plaatsvindt, naar het legitimatiebewijs wordt gevraagd, is de houder verplicht dat te tonen.

4.12.6. Vermissing van een legitimatiebewijs dient terstond gemeld te worden bij de Commandant van het plaatselijke korps

4.12.7. Als de houder van een legitimatiebewijs geen deel meer uitmaakt van de plaatselijke organisatie of de vereniging, moet hij het legitimatiebewijs in leveren bij de secretaris van het plaatselijk bestuur dan wel de secretaris van het hoofdbestuur.

Hoofdstuk 5 - Gedrag

5.         Gedrag en gedragscode.

5.1.      Gedrag.

5.1.1.   Uitgangspunten.

Een plezierige tijdsbesteding is binnen de vereniging en de plaatselijke organisaties alleen mogelijk indien de deelnemers daarbij gewenst gedrag vertonen, dat gebaseerd is op de uitgangspunten.

a.         de algemeen in de samenleving geldende waarden betreffende de onderlinge relaties van mensen;

b.         het dragen van verantwoordelijkheid voor de optimale werking van de vereniging en de plaatselijke organisaties, alsmede voor een goede combinatie van gezamenlijk leven en werken.

5.1.2.   Gedragscode.

a.         Voor een uitgebreide omschrijving van de gedragscode van de vereniging en de plaatselijke organisaties, en de handelwijze bij overtredingen hiervan zie bijlage J (Gedrag).

b.         Voor een uitgebreide -maar niet gelimiteerde- omschrijving van ongewenst gedrag en de handelwijze bij het constateren van ongewenst gedrag zie bijlage J (Gedrag).

Hoofdstuk 6- Overig

6.         Overige bepalingen.

6.1.      Trofeeën.

6.1.1.   Door diverse relaties en sponsors zijn trofeeën beschikbaar gesteld voor winnaars van roei-, wrik- en zeilwedstrijden. Voor een overzicht van deze trofeeën en bij welke gelegenheid om deze trofeeën wordt gestreden, zie bijlage I (Trofeeën).

6.2.      Geschillencommissie.

6.2.1.   Instelling.

De algemene raad stelt per geschil de geschillencommissie als bedoeld in artikel 14 van de statuten in.

6.2.2.   Beslissing.

a.         Het advies van de geschillencommissie over het voorgelegde geschil wordt vertrouwelijk behandeld.

b.         De geschillencommissie brengt haar beslissing ter kennis van het hoofdbestuur.

c.         Indien het karakter van het geschil dat toelaat, brengt het hoofdbestuur de beslissing van de geschillencommissie ter kennis van de leden van de algemene raad; de algemene raad volstaat met kennisname zonder discussie.

6.2.3.   Ontbinding.

Nadat de beslissing van de geschillencommissie ter kennis van het hoofdbestuur is gebracht, stelt het hoofdbestuur de algemene raad voor de geschillencommissie te ontbinden.

6.3.      Slotbepaling.

In zaken en omstandigheden waarin dit huishoudelijk reglement, de statuten en de wet niet voorzien, beslist in de plaatselijke aangelegenheden het bestuur van de plaatselijke organisatie en in algemene aangelegenheden het hoofdbestuur.

Bijlage A: Commissie Techniek en Veiligheid

Huishoudelijk Reglement Zeekadetkorps Nederland

Bijlage A: Commissie Techniek en Veiligheid

Penvoerder: Commissaris Techniek en Veiligheid

1.         Algemeen.

a.         Doelstelling.

De doelstelling van de Commissie Techniek & Veiligheid (CTV) is tweeledig, te weten:

1).      het fungeren als advies- en hulporgaan voor de plaatselijke korpsen;

2).      het fungeren als advies- en beleidsuitvoerend orgaan naar en voor het hoofdbestuur inzake het beheer, veiligheid en onderhoud van het varend – materieel en toebehoren.

b.        Relatie naar de plaatselijke korpsen

De CTV geeft gevraagd en ongevraagd advies. Het oogmerk hierbij is om probleemoplossend en opbouwend te werk te gaan. De CTV karakteriseert zich hierbij niet als ‘inspecterende autoriteit’ doch als ‘adviesorgaan’.

2.         Samenstelling

a.         De CTV staat onder voorzitterschap van de Commissaris Techniek en Veiligheid van het hoofdbestuur.

b.         De leden van de commissie kunnen bestaan uit:

1).      leden van het hoofdbestuur;

2).      bestuursleden van een plaatselijk korps;

3).      zeekadetofficieren;

4).      eenieder die op basis van zijn beroepservaring een nuttige bijdrage kan leveren en tenminste de leeftijd van eenentwintig jaar heeft bereikt.

5).      De commissie bestaat tenminste uit:

a).       een voorzitter;

b).       een secretaris;

c).       een lid met uitgebreide kennis op het gebied van scheepsbouw en -constructies;

d).       een lid met uitgebreide kennis op het gebied van werktuigbouw en -onderhoud;

e).       een lid met uitgebreide kennis op het gebied van verbindingen;

f).        een lid met uitgebreide kennis op het gebied van elektrotechniek;

g).       een lid belast met de coördinatie en uitvoering van goederenafstoting vanuit de Koninklijke Marine;

3.         Werkwijze, taken en bevoegdheden

a.         De CTV opereert als uitvoerend orgaan van het hoofdbestuur en is als zodanig directe verantwoording verschuldigd aan het hoofdbestuur.

b.         De CTV komt tenminste vier [4] maal per kalenderjaar in vergadering bijeen en rapporteert door middel van vergaderverslagen aan het hoofdbestuur.

c.         De CTV informeert en adviseert het hoofdbestuur en de lokale korpsbesturen omtrent:

1).      de instandhouding en vervanging van varend materieel in het algemeen;

2).      de benodigde investeringen inzake veiligheidsmiddelen;

3).      de benodigde investeringen inzake verbindingsmiddelen;

4).      het stellen van prioriteiten bij het droogzetten van korpsschepen bij DMO/Marinebedrijf en bij particuliere werven en het desgevraagd leveren van assistentie bij het opstellen van een doklijst;

5).      het behalen van het Certificaat van Onderzoek en het desgevraagd leveren van assistentie ter zake van de keuring;

6).      de beoordeling van een verzoek van de korpsen voor de toekenning van fondsen voor onderhoud en reparaties op basis van de ingediende rapporten;

d.         De CTV is belast met het opstellen van richtlijnen voor het technische beheer van het materieel, onderhoudsmiddelen, onderhoudprocedures en werkwijzen. Deze richtlijnen worden als “mededelingen CTV” vastgelegd en gedistribueerd via het secretariaat van het hoofdbestuur.

e.         De CTV is, in overleg met de webmaster, verantwoordelijk voor de inhoud van haar webpagina op het intranet van de vereniging. Deze webpagina omvat tenminste:

1).      De namen en contactgegevens van de leden van de CTV

2).      De van kracht zijnde mededelingen CTV.

4.         Aanstellen van leden

a.         De leden van de CTV worden aangesteld door het hoofdbestuur voor een tijdsduur van telkens drie jaar.

b.         De leden van de Commissie Techniek en Veiligheid hebben de status van vrijwilliger.

Bijlage B: Commissie Public Relations

Huishoudelijk Reglement Zeekadetkorps Nederland

Bijlage B: Commissie Public Relations

Penvoerder: Commissaris Public Relations

1.         Samenstelling

a.         De ‘Commissie Public Relations’ [CPR] staat onder voorzitterschap van het hoofdbestuurslid met de portefeuille Public Relations.

b.         De leden van de commissie kunnen bestaan uit:

1).      leden van het hoofdbestuur;

2).      bestuursleden van een plaatselijk korps;

3).      zeekadetofficieren;

4).      eenieder die op basis van zijn beroepservaring en/of specifieke vaardigheden een bijdrage kan leveren aan de Commissie Public Relations en tenminste de leeftijd van éénentwintig jaar heeft bereikt.

c.         De commissie bestaat tenminste uit:

1).      een voorzitter;

2).      een secretaris;

3).      een International Liaison Officier.

2.         Werkwijze, taken en bevoegdheden

a.         De commissie komt tenminste vier [4] maal per kalenderjaar in vergadering bijeen en rapporteert door middel van vergaderverslagen aan het hoofdbestuur en de leden van de commandantenvergadering.

b.         De commissie draagt zorg voor:

1).      het realiseren van een actief public relations beleid dat leidt tot een vergroting van de nationale naamsbekendheid van de vereniging;

2).      de representatie van de vereniging bij nationale en regionale – maritieme – evenementen en beurzen;

3).      de informatievoorziening naar de pers;

4).      de inhoud, het beheer en de uitgifte van PR-materialen in de meest brede zin van het woord;

5).      het desgevraagd ondersteunen van plaatselijke korpsen bij de organisatie en realisatie van plaatselijke evenementen met een representatief karakter (jubilea, evenementen, etc.);

6).      het tenminste één maal per jaar uitbrengen van een ‘evenementenkalender’ en het schriftelijk vastleggen van procedures en werkwijzen voor de organisatie en realisatie van PR-activiteiten alsmede het beheer en de uitgifte van PR-materialen; deze richtlijnen worden als ‘Mededelingen Commissie Public Relations’ [MED-CPR] vastgelegd en gedistribueerd via de secretaris van het hoofdbestuur.

c.         De Commissie Public Relations is, in overleg met de webmaster, verantwoordelijk voor de inhoud van haar webpagina op het intranet van de vereniging. Deze webpagina omvat tenminste:

1).      De namen en contactgegevens van de leden van de Commissie Public Relations

2).      De van kracht zijnde mededelingen Commissie Public Relations.

d.         Teneinde de hierboven genoemde taakstelling te realiseren dient de commissie tijdig begrotingsvoorstellen in bij het hoofdbestuur.

e.         De commissie is bevoegd, na accordering van het hoofdbestuur, tot acquisitie van de benodigde middelen over te gaan en/of uitgaven te doen ten behoeve van het realiseren van evenementen.

3.         Aanstelling van leden

a.         De leden van de Commissie Public Relations worden aangesteld door het hoofdbestuur voor een tijdsduur van telkens drie jaar.

b.         De leden van de Commissie Public Relations hebben de status van vrijwilliger.

 

Bijlage C: Commissie Opleidingen

Huishoudelijk Reglement Zeekadetkorps Nederland

Bijlage C: Commissie Opleidingen

Penvoerder: Commissaris Opleidingen

1.         Doelstelling Commissie Opleidingen (COPL).

a.         Het zo goed mogelijk onderling afstemmen van inhoud, niveau en structuur bij de opleidingen van de zeekadetkorpsen Nederland, teneinde:

1).      Mede invulling en richting te geven aan het zeekadetconcept in Nederland.

2).      Bij landelijke en/of externe activiteiten uit te kunnen gaan van globaal dezelfde kennis, houding en vaardigheid.

3).      Externe certificering en/of diplomering van opleidingen bij het Zeekadetkorps Nederland mogelijk te maken.

2.         Bevoegdheden Commissie Opleidingen.

a.         Opstellen en bewaken van inhoud, niveau en structuur van de opleidingen bij het Zeekadetkorps Nederland.

b.         Namens het Zeekadetkorps Nederland onderhouden van contacten met overeenkomstige opleidingsfora.

c.         Namens het Zeekadetkorps Nederland zitting nemen in overeenkomstige opleidingsfora.

d.         Gevraagd en ongevraagd advies uitbrengen aan het hoofdbestuur en de plaatselijke korpsen ten aanzien van opleidingen/trainingen.

3.         Taken Commissie Opleidingen

a.         Het ontwikkelen en/of laten ontwikkelen van opleidingsmateriaal voor in de structuur aangegeven opleidingen.

b.         Het inhoudelijk en logistiek beheren van opleidingen en opleidingsmateriaal.

c.         De organisatie van specifieke, niet in de structuur opgenomen, opleidingen en trainingen.

d.         Het opstellen, na evaluatie, via mededelingen opleiding, van aanwijzingen en regelingen met betrekking tot opleidingen en trainingen in het orderboek commandant.

e.         Het indienen van begrotingsvoorstellen bij het hoofdbestuur. Na accordering is de commissie bevoegd tot realisatie van de begroting over te gaan.

f.          Het minstens eenmaal per jaar verslag uitbrengen van haar werkzaamheden aan hoofdbestuur en commandantenvergadering.

g.         Het onderzoek doen of laten doen naar relevante opleidingsontwikkelingen zowel nationaal als internationaal.

4.         De commissie komt zo vaak, doch minstens 3 maal per jaar, bijeen als zij dit nodig acht.

5.         Samenstelling commissie.

a.         De commissie Opleidingen staat onder voorzitterschap van de commissaris Opleidingen van het Hoofdbestuur.

b.         De leden van de commissie kunnen bestaan uit:

1).      leden van het hoofdbestuur;

2).      officieren, onderofficieren en bestuursleden van een plaatselijk korps;

3).      externe deskundigen.

6.         De commissie bestaat uit tenminste een voorzitter, een secretaris en een inhoudelijk en een logistiek beheerder van het opleidingsmateriaal.

a.         De COPL is, in overleg met de webmaster, verantwoordelijk voor de inhoud van haar webpagina op het intranet van de vereniging. Deze webpagina omvat tenminste:

1).      De namen en contactgegevens van de leden van de COPL

2).      De van kracht zijnde mededelingen COPL.

b.         Teneinde de hierboven genoemde taakstelling te realiseren dient de commissie tijdig begrotingsvoorstellen in bij het hoofdbestuur.

c.         De commissie is bevoegd, na accordering van het hoofdbestuur, tot acquisitie van de benodigde middelen over te gaan en/of uitgaven te doen ten behoeve van het realiseren van evenementen.

7.         Aanstelling van leden

a.         De leden van de Commissie Opleidingen worden aangesteld door het hoofdbestuur voor een tijdsduur van telkens drie jaar.

b.         De leden van de Commissie Opleidingen hebben de status van vrijwilliger.

 

Bijlage D - Commissie Communicatie en Sociale Media

Huishoudelijk Reglement Zeekadetkorps Nederland

Bijlage D: Commissie Communicatie en Sociale Media

Penvoerder: Commissaris Communicatie

1.         Algemeen.

a.         Doelstelling.

De doelstelling van de Communicatie en Sociale Media (CCOMM) is tweeledig, te weten:

1).      het fungeren als advies- en hulporgaan voor de plaatselijke korpsen;

2).      het fungeren als advies- en beleidsuitvoerend orgaan naar en voor het hoofdbestuur inzake de interne en externe communicatie via internet en sociale media.

b.        Relatie naar de plaatselijke korpsen

De CCOMM geeft gevraagd en ongevraagd advies. Het oogmerk hierbij is om probleemoplossend en opbouwend te werk te gaan. De CCOMM karakteriseert zich hierbij niet als ‘inspecterende autoriteit’ doch als ‘adviesorgaan’.

2.         Samenstelling

a.         De CCOMM staat onder voorzitterschap van de Commissaris Communicatie van het hoofdbestuur.

b.         De leden van de commissie kunnen bestaan uit:

1).      leden van het hoofdbestuur;

2).      bestuursleden van een plaatselijk korps;

3).      zeekadetofficieren;

4).      eenieder die op basis van zijn beroepservaring een nuttige bijdrage kan leveren en tenminste de leeftijd van eenentwintig jaar heeft bereikt.

5).      De commissie bestaat tenminste uit:

a).       een voorzitter;

b).       een secretaris;

c).       de webmaster van de internetsite van de vereniging

3.         Werkwijze, taken en bevoegdheden

a.         De CCOMM opereert als uitvoerend orgaan van het hoofdbestuur en is als zodanig directe verantwoording verschuldigd aan het hoofdbestuur.

b.         De CCOMM komt wanneer nodig in vergadering bijeen en rapporteert door middel van vergaderverslagen aan het hoofdbestuur.

c.         De CCOMM informeert en adviseert het hoofdbestuur en de lokale korpsbesturen omtrent:

1).      Het gebruik van het internet en websites

2).      Het gebruik sociale media

d.         De CCOMM is belast met het opstellen van richtlijnen voor het gebruik van het internet en sociale media

e.         De CCOMM is, in overleg met de webmaster, verantwoordelijk voor de inhoud van haar webpagina op het intranet van de vereniging. Deze webpagina omvat tenminste:

1).      De namen en contactgegevens van de leden van de CCOMM

2).      De van kracht zijnde mededelingen en richtlijnen van de CCOMM.

4.         Aanstellen van leden

a.         De leden van de CCOMM worden aangesteld door het hoofdbestuur voor een tijdsduur van telkens drie jaar.

b.         De leden van de CCOMM hebben de status van vrijwilliger.

 

Bijlage E: Structuur plaatselijke korpsen

Huishoudelijk Reglement Zeekadetkorps Nederland

Bijlage E: Structuur plaatselijke korpsen

Penvoerder: Secretaris hoofdbestuur

1.         Diensten

1.1.    Nautische dienst.

a.         De nautische dienst staat onder leiding van het hoofd nautische dienst, die wordt bijgestaan door de chef nautische dienst.

b.         De nautische dienst draagt de primaire zorg en verantwoording voor:

1.        het uitwendig onderhoud van het korpsschip en/of -onderkomen;

2.        het beheer en onderhoud van kleine vaartuigen;

3.        varende verplaatsingen met het korpsschip alsmede de hieraan gerelateerde voorbereidingen, (dek-)werkzaamheden en veiligheidsaspecten;

4.        het opleiden van de zeekadetten, kwartiermeesters en bootslieden ingedeeld bij de nautische dienst;

5.        het opleiden van aspirant-zeekadetten tot zeekadet der derde klasse.

c.         Om ingedeeld te worden bij de nautische dienst gelden de volgende vereisten:

1.        zeekadetten: het – ten minste – in opleiding zijn voor het brevet sloepgast der tweede klasse;

2.        kwartiermeesters: het – ten minste – bezitten van het brevet sloepgast der eerste klasse;

3.        bootslieden: het – ten minste – bezitten van het brevet meestersloepgast.

1.2.    Technische dienst.

a.         De technische dienst staat onder leiding van het hoofd technische dienst, die wordt bijgestaan door de chef technische dienst.

b.         De technische dienst draagt de primaire zorg en verantwoording voor:.

1.        het beheer, het onderhoud en de bediening van de voortstuwing, energievoorziening, technische installaties en andere mechanische werktuigen aan boord van of behorende bij het korpsschip, alsmede het onderhoud van de ruimtes waarin deze geplaatst zijn;

2.        het beheer en onderhoud van de motoren, technische installaties en andere mechanische werktuigen aan boord van kleine vaartuigen;

3.        het handhaven en naleven van bedrijfsveiligheidsvoorschriften en -richtlijnen;

4.        het opleiden van zeekadetten kwartiermeesters en bootslieden ingedeeld bij de technische dienst.

c.         Om ingedeeld te worden bij de technische dienst gelden de volgende vereisten:

1.        zeekadetten: het – ten minste – in opleiding zijn voor het brevet machinist der tweede klasse;

2.        kwartiermeesters: het – ten minste – bezitten van het brevet machinist der eerste klasse;

3.        bootslieden: het – ten minste – bezitten van de brevetten machinist der eerste klasse en scheepsbeveiliger.

1.3.    Logistieke dienst.

a.         De logistieke dienst staat onder leiding van het hoofd logistieke dienst, die wordt bijgestaan door de chef logistieke dienst.

b.         De logistieke dienst draagt de primaire zorg en verantwoording voor:

1.        het inwendig onderhoud van het/de korpsschip/-schepen c.q. -onderkomen(-s);

2.        de administratieve bedrijfsvoering van het plaatselijke korps, voor zover het de dagelijkse/ interne bedrijfsvoering betreft;

3.        het beheer van voeding, kleding en inventaris;

4.        het zorg dragen voor het houden en toebereiden van maaltijden alsmede de hiermee samenhangende voorbereidingen en overige activiteiten;

5.        het opleiden van zeekadetten kwartiermeesters en bootslieden behorende tot de logistieke dienst.

c.         Om ingedeeld te worden bij de logistieke dienst gelden de volgende vereisten:

1.        zeekadetten: het – ten minste – in opleiding zijn voor het brevet hofmeester der tweede klasse;

2.        kwartiermeesters: het – ten minste – bezitten van het brevet hofmeester der eerste klasse;

3.        bootslieden: het – ten minste – bezitten van de brevetten hofmeester der eerste klasse en EHBO of scheepsbeveiliger.

1.4.    Verbindingsdienst.

a.         De Verbindingsdienst staat onder leiding van de Verbindingsofficier, zijnde een zeekadetofficier in bezit van een marifooncertificaat dan wel het vereiste certificaat dat benodigd is krachtens de verbindingsapparatuur welke bij het plaatselijke korps aanwezig is.

b.         Zo nodig kan een Chef Verbindingsdienst aangesteld worden, zijnde een zeekadetonderofficier in de rang van bootsman in bezit van het marifooncertificaat en de brevetten ‘seiner der tweede klasse’ en ‘seiner der eerste klasse’.

c.         Om ingedeeld te worden bij de verbindingsdienst gelden de volgende vereisten:

1.        Zeekadetten. Het – ten minste – in opleiding zijn voor het brevet ‘seiner der tweede klasse’ is voor zeekadetten een voorwaarde om ingedeeld te kunnen worden bij de Verbindingsdienst.

2.        Kwartiermeesters Het – ten minste – bezitten van het brevet ‘seiner der eerste klasse’ geldt als een voorwaarde voor kwartiermeesters om ingedeeld te kunnen worden bij de Verbindingsdienst.

2.         Standen van jeugdleden

2.1.    Ketelbinkie

a.         Het ketelbinkie moet:

1.        ten minste 9 jaar oud zijn, doch niet ouder dan 12 jaar;

2.        een goede gezondheid te genieten en daartoe zo nodig een sportkeuring ondergaan;

3.        een zwemdiploma te bezitten.

b.         De eerste drie maanden van het lidmaatschap zijn een proeftijd.

2.2.    Aspirant zeekadet

a.         De aspirant zeekadet moet:

1.        ten minste 10 jaar en 9 maanden oud zijn, doch niet ouder dan 17 jaar;

2.        een goede gezondheid te genieten en daartoe zo nodig een sportkeuring ondergaan;

3.        een zwemdiploma te bezitten.

b.         De eerste drie maanden van het lidmaatschap zijn een proeftijd.

2.3.    Zeekadet der derde klasse

a.         De zeekadet der derde klasse moet:

1.        ten minste 11 jaar oud zijn;

2.        ten minste 3 maanden aspirant zeekadet zijn geweest;

3.        alle taken in het instructieboek opleiding tot zeekadet der derde klas op voldoende wijze hebben afgelegd;

4.        in het bezit zijn van het brevet sloepsgast der tweede klasse.

2.4.    Zeekadet der tweede klasse

a.         De zeekadet der tweede klasse moet:

1.        een jaar zeekadet der derde klasse zijn geweest;

2.        alle testen in het instructieboek opleiding tot zeekadet tweede klas met voldoende resultaat hebben afgelegd.

3.        in het bezit zijn van het brevet sloepsgast der tweede klasse en één van de volgende brevetten:

a).       sloepgast der eerste klasse;

b).       seiner der tweede klasse;

c).       hofmeester der tweede klasse;

d).       machinist der tweede klasse.

2.5.    Zeekadet der eerste klasse

a.         De zeekadet der eerste klasse moet:

1.        een jaar zeekadet der tweede klasse zijn geweest;

2.        alle testen in het instructieboek opleiding tot zeekadet eerste klas met voldoende resultaat hebben afgelegd;

3.        voldoen aan het vorige lid onder 3 en in het bezit zijn van één van de volgende brevetten:

a).       meestersloepgast;

b).       seiner der eerste klasse;

c).       hofmeester der eerste klasse;

d).       machinist der eerste klasse.

2.6.    Uitzonderingen

Indien een zeekadet der derde, tweede of eerste klasse niet aan alle hierboven vermelde eisen voldoet, is toekenning van de rang desondanks mogelijk indien de ontwikkeling van het jeugdlid binnen het korps naar het oordeel van de commandant het tekort compenseert

3.         Rangen van jeugdleden

3.1.    Kwartiermeester

a.         De kwartiermeester moet:

1.        een jaar zeekadet der eerste klasse zijn geweest;

2.        voldoen aan het vorige lid onder 3 en in het bezit zijn van één van de volgende diploma’s / brevetten:

a).       vaarbewijzen 1 en 2;

b).       scheepsbeveiliger;

c).       EHBO.

3.2.    Bootsman

a.         De bootsman moet:

1.        twee jaar kwartiermeester zijn geweest;

2.        één jaar als baksmeester hebben gefunctioneerd;

3.        tenminste één module van de onderofficierscursus hebben gevolgd en bereid zijn de andere modules te volgen.

3.3.    Uitzonderingen

Indien een kwartiermeester of bootsman niet aan alle hierboven vermelde eisen voldoet, is toekenning van de rang desondanks mogelijk indien de ontwikkeling van het jeugdlid binnen het korps naar het oordeel van de commandant het tekort compenseert.

4.         Rangen van de korpsleiding

4.1.    Schipper

a.         De rang van schipper is beschikbaar voor de functies chef nautische dienst, chef technische dienst en chef logistieke dienst.

b.         De schipper moet tenminste twee jaar bootsman zijn geweest.

c.         De schipper moet tenminste één module van de onderofficierscursus hebben gevolgd en bereid zijn de andere modules te volgen.

4.2.    Opperschipper

a.         De rang van opperschipper is beschikbaar voor de functie chef der équipage.

b.         De opperschipper moet tenminste één jaar schipper zijn geweest.

c.         De opperschipper moet tenminste één maal als schipper aan het landelijk zomerkamp hebben deelgenomen.

d.         De opperschipper moet tenminste één module van de onderofficierscursus hebben gevolgd en bereid zijn de andere modules van die cursus te volgen of één module van de officierscursus hebben gevolgd.

4.3.    Zeekadetofficier der derde klasse

a.         De rang van zeekadetofficier der derde klasse is beschikbaar voor de functies van tweede of derde officier bij de nautische dienst, technische dienst en logistieke dienst en voor speciale functies.

b.         De zeekadetofficier der derde klasse moet ten minste twee jaar schipper en/of opperschipper zijn geweest.

c.         De zeekadetofficier der derde klasse moet bereid zijn de officierscursus te volgen.

4.4.    Zeekadetofficier der tweede klasse

a.         De rang van zeekadetofficier der tweede klasse is beschikbaar voor de functies van hoofd nautische dienst, hoofd technische dienst en hoofd logistieke dienst.

b.         De zeekadetofficier der tweede klasse moet ten minste drie jaar zeekadetofficier der derde klasse zijn geweest.

c.         De zeekadetofficier der tweede klasse moet tenminste één module van de officierscursus hebben gevolgd en bereid de andere modules te volgen.

4.5.    Zeekadetofficier der tweede klasse oudste categorie

a.         De rang van zeekadetofficier der tweede klasse oudste categorie is beschikbaar voor de functie van eerste officier.

b.         De zeekadetofficier der tweede klasse oudste categorie moet ten minste drie jaar zeekadetofficier der tweede klasse zijn geweest.

c.         De zeekadetofficier der tweede klasse moet alle modules van de officierscursus hebben gevolgd.

4.6.    Zeekadetofficier der eerste klasse

a.         De rang van zeekadetofficier der eerste klasse is beschikbaar voor de functie van commandant.

b.         De zeekadetofficier der eerste klasse moet ten minste drie jaar zeekadetofficier der tweede klasse en/of zeekadetofficier der tweede klasse oudste categorie zijn geweest.

c.         De zeekadetofficier der eerste klasse moet tenminste tweemaal als zeekadetofficier aan het landelijk zomerkamp hebben deelgenomen.

d.         De zeekadetofficier der eerste klasse moet de officierscursus hebben gevolgd.

4.7.    Verklaring Omtrent Gedrag

a.         Voordat een vrijwilliger tot lid van de korpsleiding wordt benoemd of bevorderd, dient hij een recente Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) te overleggen.

b.         De procedure voor het verkrijgen van een Verklaring Omtrent Gedrag staat vermeld op het Intranet.

4.8.    Uitzonderingen

a.         Indien een lid van de korpsleiding niet aan de vereiste looptijd voldoet, is toekenning van de rang desondanks mogelijk indien het lid kwaliteiten heeft die het tekort aan looptijd compenseren en een leeftijd heeft van tenminste 21 jaar.

b.         Indien een lid van de korpsleiding niet aan de vereiste opleidingseisen voldoet, is toekenning van de rang desondanks mogelijk indien het plaatselijk bestuur met het lid en de commissaris opleidingen in het hoofdbestuur afspraken maakt over het zo snel mogelijk volgen van de opleiding.

Bijlage F: Financiën en verzekeringen

Huishoudelijk Reglement Zeekadetkorps Nederland

Bijlage F: Financiën en Verzekeringen

Penvoerder: Penningmeester hoofdbestuur

1.         Algemeen

1.1.    Aanwijzingen Financieel Beheer

a.         Door de penningmeester kunnen Aanwijzingen Financieel Beheer worden opgesteld, welke gebaseerd zijn op het vigerende beleid van het hoofdbestuur met betrekking tot financiën en verzekeringen.

b.         De Aanwijzingen Financieel Beheer worden door de secretaris van het hoofdbestuur naar de plaatselijke organisaties verzonden.

c.         De van kracht zijnde Aanwijzingen Financieel Beheer zijn tevens te vinden worden op de pagina Financiën en Verzekeringen van het Intranet.

1.2.    Grondslag berekeningen

a.         Als grondslag voor de bepaling van diverse bijdragen (contributie, verzekering) wordt bepaald aan de hand van de jaarlijks door de plaatselijke organisaties opgestelde sterkteopgave per 31 december.

b.         De jaarlijks door de plaatselijke organisaties ingediende sterkteopgaves per 31 december dienen uiterlijk op 10 januari van het volgende jaar te worden ingediend, teneinde tijdig de noodzakelijke gegevens aan de verzekeringen door kunnen te geven.

c.         Bij niet tijdige indiening van de bovengenoemde sterkteopgave zal voor de berekening van de diverse bedragen en bijdragen worden uitgegaan van het laatste bekende aantal, vermeerderd met 50%.

2.         Financiën

2.1.    Jaarlijkse contributie

a.         De hoogte van de jaarlijkse contributie wordt vastgesteld door het aantal leden van de plaatselijke organisatie te vermenigvuldigen met de in de Algemene Raad vastgestelde jaarlijkse contributie per persoon.

b.         Het aantal personen waarover de jaarlijkse contributie moet worden bepaald wordt afgeleid uit de jaarlijks door de korpsen ingediende sterkteopgave per 31 december.

2.2.    Vergoedingen en tegemoetkomingen

Het hoofdbestuur handhaaft de navolgende vergoedingen voor reis en verblijfskosten:

a.         Reis en verblijfskosten

1.        Reiskosten binnen Nederland gemaakt ten behoeve van de formele vertegenwoordiging van de vereniging alsmede officiële bezoeken en besprekingen kunnen bij de penningmeester van het hoofdbestuur gedeclareerd worden.

2.        Reiskosten binnen Nederland gemaakt ten behoeve van de formele vertegenwoordiging van de plaatselijke organisatie, inclusief officiële bezoeken en besprekingen t.b.v. de plaatselijke organisatie dienen bij de penningmeester van het plaatselijk bestuur gedeclareerd worden.

3.        Indien gereisd wordt met een personenauto wordt per afgelegde kilometer € 0.15 vergoed.

4.        Bij gebruik van het openbaar vervoer worden de werkelijke kosten vergoed.

5.        Maaltijden en kleine onkosten worden niet vergoed.

6.        Het plaatselijk bestuur kan aanvullende voorwaarden voor de vergoeding van reis- en verblijfskosten van de leden van de plaatselijke organisatie vaststellen.

b.         Telefoonkosten

1.        In bijzondere gevallen kan een tegemoetkoming in de telefoonkosten toegekend worden.

2.        Toekenning vindt plaats op schriftelijk verzoek van betrokkene waarbij sprake dient te zijn van een aantoonbare toename van de gesprekskosten als gevolg van het uitoefenen van werkzaamheden voor de vereniging.

3.        De hoogte van de tegemoetkoming in de (gespreks-)kosten wordt door het hoofdbestuur vastgesteld.

4.        Het plaatselijk bestuur kan aanvullende voorwaarden voor de vergoeding van telefoonkosten van de leden van de plaatselijke organisatie vaststellen.

3.         Verzekeringen

3.1.    Overzicht Verzekerde Vaartuigen

a.         Het hoofdbestuur houdt een “Overzicht Verzekerde vaartuigen” bij. Dit overzicht vormt een basis voor de berekening van de verzekering voor de materiele middelen.

b.         Het meest actuele overzicht verzekerde vaartuigen is te vinden op de pagina Financiën en Verzekeringen van het Intranet.

c.         Jaarlijks zal dit overzicht aan de korpsen worden aangeboden om zeker te stellen dat de getallen actueel zijn op het moment dat de verzekeringsbijdragen bepaald worden.

d.         Tussentijdse wijzigingen dienen door de plaatselijke organisaties zo snel mogelijk worden doorgegeven omdat:

1.        Een niet opgegeven vaartuig ook niet verzekerd is;

2.        Anders verzekeringsgelden dienen te worden betaald terwijl het vaartuig niet meer in gebruik is bij de plaatselijke organisatie.

Bijlage G: Kleding, Uitmonsteringen en Onderscheidingen

Huishoudelijk Reglement Zeekadetkorps Nederland

Bijlage G: Kleding, Uitmonsteringen en Onderscheidingen

Penvoerder: Secretaris Hoofdbestuur

1.            Algemeen.
1.1.        Het hoofdbestuur stelt een vrijwilliger aan als Beheerder Kleding.

1.2.        Het hoofdbestuur stelt een vrijwilliger aan als Beheerder Uitmonsteringen en Onderscheidingen.

1.3.        De onder 1.1 en 1.2 genoemde functies kunnen gecombineerd worden.

1.4.        De beheerders kunnen waar nodig bestellingen bij leveranciers plaatsen.

1.5.        Kosten van kleding, uitmonsteringen en onderscheidingen worden door de beheerder namens het hoofdbestuur vastgesteld

1.6.        De beheerders vermelden op hun respectievelijke webpagina’s op het ZKK NL Intranet de bestelprocedures voor de korpsen en overige informatie om het bestelproces goed te laten verlopen.

2.            Uniform kleding
2.1.        Het uniform voor zeekadetofficier 1 klasse tot en met zeekadet derde klasse bestaat uit:

a.         Voor mannen van zeekadetofficier 1 klasse tot en met bootsman witte pet voorzien van zwart petlint met daarop een petembleem bestaande uit:

1.         Voor officieren een in gouddraad uitgevoerd koggeschip met dito lauwerkrans tegen een zwarte achtergrond;

2.         Opperschipper, schipper en bootsman een in gouddraad uitgevoerd koggeschip tegen een zwarte achtergrond;

b.         Voor vrouwen van zeekadetofficier 1 klasse tot en met bootsman hoofddeksel als voor vrouwelijke militairen zoals in gebruik bij de koninklijke marine met daarop een petembleem als genoemd onder 1;

c.         Voor kwartiermeester en zeekadetten witte matrozenmuts voorzien van zwart mutslint waarop in geel afgebeeld het woord ‘zeekadetkorps’;

d.         Donkerblauwe broek welke voor vrouwen vervangen kan worden door een donkerblauwe rok;

e.         Voor mannen van zeekadetofficier 1 klasse tot en met bootsman donkerblauw jasje met dubbele rij van ieder vier messing knopen voorzien van onklaar gekroond anker en

1.         Voor officieren op beide revers een onklaar gouden anker;

2.         Voor opperschipper, schipper en bootsman op de linker mouw het met scheepskroon getooide korpsembleem met daaronder de naam van het plaatselijke korps;

f.          Voor vrouwen van zeekadetofficier 1 klasse tot en met bootsman donkerblauw jasje met enkele rij knopen en op beide revers een onklaar gouden anker en

1.         Voor officieren op beide revers een onklaar gouden anker;

2.         Voor opperschipper, schipper en bootsman op de linker mouw het met scheepskroon getooide korpsembleem met daaronder de naam van het plaatselijke korps;

g.         Voor kwartiermeester en zeekadetten donkerblauw hemd met op de linkermouw het met scheepskroon getooide korpsembleem met daaronder de naam van het plaatselijke korps aangevuld met:

1.         Hemdskraag (bij ceremoniële activiteiten en/of activiteiten van representatieve aard);

2.         Zwarte das met knoop (rouwdas);

h.         Voor vrouwelijke kwartiermeesters en zeekadetten kan het onder 1.1.g genoemde hemd worden vervangen door het onder 1.1.f genoemde jasje;

i.          Voor zeekadetofficier 1 klasse tot en met bootsman wit overhemd met zwarte stropdas met zwarte schouderpassanten;

j.          Voor kwartiermeester en zeekadetten sportwitje (wit shirt met ronde hals en korte mouwen waarbij hals en uiteinden van de mouwen met een blauwe rand afgezet zijn);

k.         Voor zeekadetofficier 1 klasse tot en met bootsman donkerbruine lederen handschoenen in combinatie met regenjas of bij ceremoniële activiteiten;

l.          Zwarte sokken en lage zwarte schoenen met gladde neus, waarbij de sokken indien dat passend is voor vrouwen kunnen worden vervangen door taupekleurige panty’s;

m.       Voor zeekadetofficier 1 klasse tot en met bootsman donkerblauwe regenjas met schouderpassanten voorzien van koperen knoop met gekroond onklaar anker;

n.         Voor kwartiermeester en zeekadetten korte donkerblauwe jekker;

o.         Donkerblauwe trui met ronde hals en lange mouwen met zwarte schouderpassanten en op de linkermouw het met scheepskroon getooide korpsembleem met daaronder de naam van het plaatselijke korps welke behoudens bij ceremoniële activiteiten of activiteiten van representatieve aard de onder e, f en g genoemde uniformstukken kan vervangen.

2.2.         Het uniform voor aspirant-zeekadetten en ketelbinkies bestaat uit het werktenue.

3.               Werkkleding
3.1.          Het werktenue bestaat uit:

a.         blauwe werkboek;

b.         blauw werkhemd;

c.         blauwe trui met op de linkermouw het met scheepskroon getooide korpsembleem met daaronder de naam van het plaatselijke korps;

d.         sportwitje (wit shirt met ronde hals en korte mouwen waarbij hals en uiteinden van de mouwen met een blauwe rand afgezet zijn);

e.         met uitzondering voor de zeekadetten 3e klasse, aspirant-zeekadetten en ketelbinkies zwarte schouderpassanten;

f.          zwarte sokken en zwarte schoenen met gladde neus, tenzij de omstandigheden aangepast schoeisel vereisen.

g.         Het werktenue kan worden aangevuld met:

1.         blauw fleece vest;

2.         blauwe overall;

3.         blauwe doorwerkjas;

4.         blauwe fleece muts;

5.         blauwe baseball cap.

3.2.        De kledingstukken genoemd onder a, g-1, g-2 en g-3 zijn op de linkerborst voorzien van het logo van de vereniging en op de rug van de kledingstukken genoemd onder g-1, g-2 en g-3 kan het silhouet van het korpsschip zijn gedrukt/geborduurd met daarboven in een boog de naam van het plaatselijke korps en onder het silhouet in rechte lijn de naam van het korpsschip.

3.3.        De kledingstukken genoemd onder g-4 en g-5 zijn op de voorkant in het midden voorzien van het logo van de vereniging.

3.4.        Het hoofdbestuur stelt het model vast van de kledingstukken die tot het werktenue behoren.

4.            Uitmonsteringen
4.1.        Uitmonsteringen zijn:

a.         Rang en standsonderscheidingstekens

b.         Brevetonderscheidingstekenen

c.         Mouwembleem (met scheepskroon getooide korpsembleem met daaronder de naam van het plaatselijke korps)

5.            Onderscheidingen
5.1.        Draaginsigne aaneengesloten lidmaatschap

Het draaginsigne bestaat uit een blauw lint met in het midden een verticale gele streep – indien van toepassing – voorzien van:

a.         één bronzen ster voor tien jaar aaneengesloten lidmaatschap;

b.         twee bronzen sterren voor vijftien jaar aaneengesloten lidmaatschap;

c.         één zilveren ster voor twintig jaar aaneengesloten lidmaatschap;

d.         twee zilveren sterren voor vijfentwintig jaar aaneengesloten lidmaatschap;

e.         één bronzen lauwertak voor vijftig jaar aaneengesloten lidmaatschap.

5.2.        Draaginsigne landelijk zomerkamp

Het draaginsigne bestaat uit een oranje lint met in het midden, van links naar rechts, drie smalle verticale strepen in de kleuren rood, wit en blauw – indien van toepassing – voorzien van:

a.         één bronzen ster indien tenminste vijf maal deelgenomen is;

b.         twee bronzen sterren indien tenminste tien maal deelgenomen is;

c.         één zilveren ster indien tenminste vijftien maal deelgenomen is;

d.         twee zilveren sterren indien tenminste twintig maal deelgenomen is;

e.         één bronzen lauwertak indien tenminste vijfentwintig maal deelgenomen is.

5.3.        Draaginsigne nationale dodenherdenking

Het draaginsigne bestaat uit een effen paars lint – indien van toepassing – voorzien van:

a.         één bronzen ster indien tenminste vijf maal deelgenomen is;

b.         twee bronzen sterren indien tenminste tien maal deelgenomen is;

c.         één zilveren ster indien tenminste vijftien maal deelgenomen is;

d.         twee zilveren sterren indien tenminste twintig maal deelgenomen is;

e.         één bronzen lauwertak indien tenminste vijfentwintig maal deelgenomen is.

5.4.        Draaginsigne jubilea van de vereniging

a.         Het draaginsigne voor het vijfentwintigjarig bestaan van de vereniging bestaat uit een lichtblauw lint met daarop twee smalle verticale witte strepen, beide op circa ¼ van de totale breedte van de baton, gerekend vanaf beide zijden.

b.         Het draaginsigne voor het vijftig jarig bestaan van de vereniging is gelijk aan dat onder a. en voorzien van één bronzen ster.

5.5.        Draaginsignes jubilea van plaatselijke zeekadetkorpsen

a.         Op voorstel van het plaatselijk bestuur stelt het hoofdbestuur een draaginsigne in bij het vijfentwintigjarig bestaan of een veelvoud daarvan van een plaatselijk korps.

b.         Het draaginsigne bestaat uit een lint in kleuren die een relatie hebben tot de kleuren van de gemeente of plaats waar het plaatselijk korps gevestigd is en niet reeds in gebruik te zijn binnen de vereniging of daarmee te verwarren zijn.

c.         Het draaginsigne voor het vijftig jarig bestaan van een plaatselijk korps is gelijk aan dat onder a. en voorzien van één bronzen ster..

5.6.        Draagvoorschrift

a.         Draaginsignes zijn 27 mm lang en 11 mm hoog.

b.         Draaginsignes worden uitsluitend gedragen op het uniform.

c.         Draaginsignes worden gedragen op het midden van de linkerborst waarbij de bovenzijde van de insignes één denkbeeldige horizontale lijn vormen met de linker oksel en het midden van de borst.

d.         De draaginsignes worden gedragen in rijen van maximaal drie breed, met een maximum van drie rijen hoog

5.7.        Draaginsignes zijn gerangschikt in de onderstaande volgorde, waarbij de eerste zich in de bovenste rij tegen het midden van de borst bevindt en de laatste zich in de onderste rij aan de armzijde.:

a.         koninklijke onderscheidingen;

b.         zilveren koggeschip;

c.         zilveren jakobsstaf;

d.         aaneengesloten lidmaatschap;

e.         nationaal zomerkamp;

f.          nationale dodenherdenking;

g.         jubilea van de vereniging;

h.         jubilea van plaatselijke korpsen in volgorde van de oprichtingsdata;

5.8.        Onderscheidingsteken uitwisselingsreis

a.         Het hoofdbestuur stelt het onderscheidingsteken vast.

b.         Het onderscheidingsteken uitwisselingsreis wordt gedragen op de rechtermouw boven de brevetonderscheidingstekens.

Bijlage H: Ceremonieel

Huishoudelijk Reglement Zeekadetkorps Nederland

Bijlage H: Ceremonieel

Penvoerder: Secretaris Hoofdbestuur

1.            Gebruik vlaggen
1.1.        Gedurende korpsdagen worden op het korpschip de volgende vlaggen gevoerd:

a.         de Nederlandse vlag in de vlaggenstok op het achterdek;

b.         de korpsvlag in de bakboord ra.

1.2.        Gedurende korpsdagen mogen op het korpsschip de volgende vlaggen worden gevoerd:

a.         andere officiële vlaggen in de stuurboord ra waarbij het vlaggenprotocol van de rijksoverheid wordt aangehouden;

b.         andere vlaggen van organisatie en bedrijven, die niet groter mogen zijn dan de korpsvlag, in de bakboord ra en indien geen andere officiële vlaggen worden gevoerd ook in de stuurboord ra.

1.3.        Varend wordt de Koninkrijk Vlag dag en nacht gevoerd

1.4.        Binnenliggend wordt de Koninkrijk vlag gevoerd tussen de hieronder genoemde tijden. Het hijsen en neerhalen van de Koninkrijk Vlag gebeurt dan tijdens vlaggenparade.

2.            Vlaggenparade.
2.1.        De Koninkrijk Vlag wordt op sein van het Schip van de Wacht gehesen en neergehaald. Hierbij wordt de volgende procedure gehanteerd.

a.         Vijf (5) minuten voor vlag hijsen/neerhalen.

1.         Schip van de Wacht hijst de “prep” als ‘aandacht sein’

2.         Jongens bij de vlag.

b.         Eén (1) minuut voor vlag hijsen/neerhalen.

1.         Schip van de Wacht laat de “prep” zakken tot halve hijshoogte als ‘waarschuwingssein’.

2.         Stilte aan dek, front maken naar de vlag.

c.         Tijdstip vlag hijsen/neerhalen.

1.         Schip van de Wacht haalt de “prep” geheel neer als ‘uitvoeringssein’.

2.         Koninkrijk vlag hijsen c.q. neerhalen.

3.         Na afloop zelfstandig ‘doorgaan’ bepalen.

d.         Indien afgemeerd in een (buitenlandse) marinehaven, wordt de in die haven geldende procedure gevolgd.

e.         Indien slechts één korpsschip is afgemeerd, kan de commandant bepalen dat de procedure met de “prep” niet noodzakelijk is, maar dat de Officier van de Wacht tijdig de noodzakelijke orders geeft.

2.2.        Tijdstip vlaggenparade.

a.         Vlag hijsen.

1.         Op maandag tot en met zaterdag vindt vlaggenparade ten 09:00 uur plaats.

2.         Op zondag vindt vlaggenparade ten 09:30 uur plaats.

b.         Vlag neerhalen.

1.         Indien zonsondergang voor 21:00 uur: bij zonsondergang.

2.         Indien zonsondergang na 21:00 uur: Om 21:00 uur.

c.         Indien een korpsschip is afgemeerd in een buitenlandse marinehaven, worden de door de plaatselijke marinecommandant vastgestelde tijden voor vlag hijsen en vlag neerhalen toegepast.

3.            Baksgewijs
3.1.        Plaatselijk baksgewijs wordt gehouden bij aanvang en einde van de korpsdag en staat onder leiding van de officier van de wacht; de commandant bepaalt het tenue.

3.2.        Bij het landelijk zomerkamp en bij gezamenlijke activiteiten van meer korpsen wordt een gezamenlijk baksgewijs gehouden bij aanvang en sluiting van het evenement. Dit baksgewijs staat onder leiding van de commandant zomerkamp dan wel de zeekadetofficier, die de leiding van het evenement heeft of bij het ontbreken hiervan onder leiding van de commandant met de meeste anciënniteit;

3.3.        De commandant zomerkamp dan wel de commandant met de meeste anciënniteit bepaalt het tenue

3.4.        De wijze van aantreden bij het baksgewijs is:

a.         zeekadetofficieren treden gezamenlijk aan;

b.         zeekadetonderofficieren treden gezamenlijk aan;

c.         plaatselijk baksgewijs: (aspirant-)zeekadetten en ketelbinkies treden per bak aan onder leiding van de baksmeester die op de rechter flank, ter hoogte van het eerste gelid van de bak staat opgesteld;

d.         (aspirant-)zeekadetten en ketelbinkies treden bij een baksgewijs als bedoeld onder c per korps aan onder leiding van een kwartiermeester die als baksmeester fungeert en op de rechter flank, ter hoogte van het eerste gelid van de bak staat opgesteld.

3.5.        De – globale – procedure voor het houden van het baksgewijs is als volgt.

PM

4.            Exercitie
PM

Bijlage I: Trofeeën en prijzen

Huishoudelijk Reglement Zeekadetkorps Nederland

Bijlage I: Prijzen en Trofeeën

Penvoerder: Secretaris Hoofdbestuur

1.            Algemeen
1.1.        Prijzen en trofeeën, waarom gestreden wordt bij landelijke evenementen van de vereniging worden uitsluitend ingesteld door of met toestemming van het hoofdbestuur.

1.2.        Bij geschillen omtrent toekenning of behoud van een trofee of prijs zal het hoofdbestuur, de partijen gehoord hebbende, uitspraak inzake het geschil doen hetgeen bindend is voor de betrokken partijen.

2.            Wimpels
2.1.        Instelling.

a.         In 1955 zijn een drietal wimpels ingesteld waar in de zomerkampen om wordt gestreden, te weten:

1.         de blauwe wimpel;

2.         de groene wimpel;

3.         de blauwgroene wimpel.

b.         De Blauwe Wimpel. De blauwe wimpel bestaat uit een blauw dundoek, waarin – in het wit – het koggeschip benevens het jaartal van het zomerkamp.

c.         De Groene Wimpel. De groene wimpel bestaat uit een groen dundoek, waarin – in het wit – het koggeschip benevens het jaartal van het zomerkamp, dat qua afmetingen kleiner is dan de blauwe wimpel.

d.         De Blauwgroene Wimpel. De blauwgroene wimpel bestaat uit een gedeeltelijk blauw en groen dundoek, waarin – in het wit – het koggeschip benevens het jaartal van het zomerkamp, dat qua afmetingen kleiner is dan de groene wimpel.

2.2.        Toekenning

a.         De criteria voor toekenning van de wimpels zijn:

1.         de algehele representatie van het plaatselijk korps;

2.         de staat van onderhoud van het varend materieel;

3.         de inzet, samenwerking en wijze van omgang met andere korpsen;

4.         de behaalde resultaten bij roei-, wrik- en zeilwedstrijden.

5.         de behaalde resultaten bij de Gouden Pollepel

2.3.        Voeren van de wimpels

a.         Een zeekadetkorps, dat een wimpel behaald heeft, mag deze voeren vanaf het moment van toekennen tot aanvang van het eerstvolgende landelijk zomerkamp, met inachtneming van het gestelde in artikel 18 ten aanzien van het voeren van wimpels.

b.         De leden van een zeekadetkorps, dat een wimpel heeft behaald, zijn gerechtigd om tot aan het eerstvolgende landelijk zomerkamp een draagkoord op het uniform te dragen, corresponderend met de kleuren van de desbetreffende wimpel (blauw, groen, blauwgroen).

c.         Zodra een zeekadetkorps een wimpel vijf [5] maal heeft behaald, is het gerechtigd om een afbeelding van deze wimpel op beide brugvleugels te voeren met daarin het cijfer ‘5’, of een veelvoud hiervan, dat correspondeert met het aantal malen dat een wimpel behaald is (5, 10, 15, …). De omvang van deze afbeelding dient in verhouding te staan met de omvang van de brugvleugel(-s) en dient ten hoogste de helft van de grootte van de daadwerkelijke wimpel niet te boven te gaan.

3.            KVNR-zeiltrofee
3.1.        De KVNR-zeiltrofee is ingesteld in 1995 ter ere van het 40-jarig bestaan van de vereniging; de naamgeving van de trofee is representatief voor de langdurige band tussen de Koninklijke Vereniging van Nederlandse Reders en het Zeekadetkorps Nederland.

3.2.        De KVNR-zeiltrofee bestaat uit een messing schaalmodel van een getuigde beenhakkervlet; de trofee wordt zo mogelijk uitgereikt door een vertegenwoordiger van de KVNR.

3.3.        De KVNR-zeiltrofee is een wisseltrofee welke jaarlijks wordt toegekend op basis van de behaalde resultaten bij de zeilwedstrijden tijdens het landelijk zomerkamp.

3.4.        De trofee blijft tot aan het zomerkamp van het jaar daarop in beheer bij de winnaar, welke deze tijdig voor het zomerkamp aan de commandant van het zomerkamp aanbiedt.

4.            DGG-roei- en wriktrofee
4.1.        De DGG-roei- en wriktrofee is ingesteld in 1995 ter ere van het 40-jarig bestaan van de vereniging; de naamgeving van de trofee is representatief voor de langdurige band tussen het Directoraat Generaal Goederenvervoer van het Ministerie van Verkeer en waterstaat en het Zeekadetkorps Nederland.

4.2.        De DGG-roei- en wriktrofee bestaat uit een messing schaalmodel van een ongetuigde beenhakkervlet voorzien van roeiriemen; de trofee wordt zo mogelijk uitgereikt door een vertegenwoordiger van de opvolger van het DGG.

4.3.        De DGG-roei- en wriktrofee is een wisseltrofee welke jaarlijks wordt toegekend op basis van de behaalde wedstrijdresultaten bij het roeien en wrikken tijdens het landelijk zomerkamp.

4.4.        De trofee blijft tot aan het zomerkamp van het jaar daarop in beheer bij de winnaar, welke deze tijdig voor het zomerkamp aan de commandant van het zomerkamp aanbiedt.

5.            De “Gouden Pollepel”
5.1.        De Gouden Pollepel is een trofee voor de logistieke dienst waarom tijdens het zomerkamp wordt gestreden

5.2.        Onderdelen van de “Gouden Pollepel” zijn:

a.         Steekproefsgewijze controle op HACCP;

b.         Beoordeling van de menulijst voor het zomerkamp (variatie, originaliteit etc.);

c.         Het gebruik van verse producten;

d.         Taartenbakwedstrijd;

e.         Receptenwedstrijd: wie heeft het meest originele recept voor een driegangendiner voor 30 personen?

f.          Algehele indruk van de LD per schip

5.3.        Spelregels Gouden Pollepel

a.         De Gouden Pollepel kan niet twee jaar achtereen gewonnen worden;

b.         Beoordeling van de onderdelen wordt gedaan door een onafhankelijke jury, bestaande uit leden van de LD die de Gouden Pollepel in het vorige jaar gewonnen heeft, indien mogelijk verstrekt door een lokale kok.

c.         Aan boord wordt gecontroleerd op naleving HACCP, menulijsten en –samenstelling en het gebruik van verse producten. Hierbij wordt uiteraard rekening gehouden met het feit dat korpsen 1x boodschappen hebben kunnen doen voor aanvang van het zomerkamp en er wordt rekening gehouden met de inrichting van het kombuis en de daarbij horende (on)mogelijkheden.

d.         Het schoonhouden van leef-, was- en slaapverblijven behoort in deze competitie niet tot de taak van de logistieke dienst en deze ruimtes zullen dus niet worden gecontroleerd. De jury beperkt zich tot het kombuis en de standaard werkzaamheden van hofmeesters.

e.         Zodra er een controle aan boord plaats vindt, wordt dit uiteraard bekend gemaakt bij de officier/onderofficier van dienst, zodat het bekend is bij de korpsen wanneer er mensen aan boord zijn voor de Gouden Pollepel.

f.          De controle verloopt aan de hand van een aandachtspuntenlijst. Aan boord van ieder schip, wordt op dezelfde punten gecontroleerd.

5.4.        Taarten bakwedstrijd

a.         De taarten worden gekeurd door de commandanten tijdens de commandantenvergadering op de dag van de taartenbakwedstrijd.

b.         Het is een wedstrijd voor zeekadetten door zeekadetten. Iedereen mag mee doen en mee denken, maar professionele koks aan boord van de schepen worden niet beoordeeld.

5.5.        Receptenwedstrijd.

a.         De opdracht luidt: bedenk een driegangen menu voor 30 personen en schrijf hiervoor een recept.

b.         De recepten worden beoordeeld door een onafhankelijke, bij voorkeur professionele, kok op tenminste originaliteit, uitvoerbaarheid en variatie.

c.         De recepten hoeven niet te worden gevolgd, er worden geen gerechten bereid.

6.            Landelijke roeiwedstrijden
6.1.        Organisatie.

De landelijke roeiwedstrijden vinden jaarlijks plaats, waarbij het plaatselijk korps dat de wedstrijden in het voorgaande jaar gewonnen heeft, belast is met de organisatie.

6.2.        Wisseltrofee – “de gedolde riem”.

a.         Met ingang van 2002 is de ‘gedolde riem’, op initiatief van ZKK Vlaardingen en naar aanleiding van het vijfentwintig jarig bestaan van voornoemd zeekadetkorps, als wisseltrofee ingesteld en verbonden aan het winnen van de landelijke roeiwedstrijden.

b.         De trofee bestaat uit evenveel delen van een (complete) roeiriem als dat er zeekadetkorpsen zijn. Ieder zeekadetkorps bezit één deel van deze riem, compleet met houder. Daarnaast is er één dol, die als wisseltrofee fungeert en samen met het deel van de roeiriem en de houder één geheel vormt.

c.         De dol blijft na het behalen tot aan de eerstvolgende landelijke roeiwedstrijden in bezit van het winnende korps, waarbij op de houder een vermelding komt van het jaar waarin zij de trofee hebben gewonnen.

d.         Een korps dat de trofee driemaal achtereen wint, mag deze definitief behouden.

7.            Landelijke zeilwedstrijden
7.1.        Organisatie.

De landelijke zeilwedstrijden vinden jaarlijks plaats en worden georganiseerd door het Zeekadetkorps Vlaardingen. De wedstrijden vinden in beginsel plaats op de Foppenplas in de gemeente Maasland.

7.2.        Wisseltrofee – “de Foppencup”.

a.         Er wordt gestreden om de Foppencup. Deze bokaal is in 2000 ter beschikking gesteld door het Zeekadetkorps Vlaardingen.

b.         De bokaal blijft na het behalen tot aan de eerstvolgende landelijke zeilwedstrijden in bezit van het winnende korps, waarbij op de houder een vermelding komt van het jaar waarin zij de trofee hebben gewonnen

c.         Een korps dat de bokaal 3 achtereenvolgende jaren wint mag de bokaal houden, maar moet voor de dan komende editie een nieuwe bokaal aanleveren.

d.         Naast de bokaal krijgen de nrs. 1, 2 en 3 een beker ter herinnering.

e.         De winnaar van de bokaal is verplicht in de volgende editie mee te doen.

Bijlage J: Gedrag

Huishoudelijk Reglement Zeekadetkorps Nederland

Bijlage J: Gedrag

Penvoerders: Voorzitter en Vicevoorzitter Hoofdbestuur

1.            Algemeen
1.1.        Uitgangspunten

Een plezierige tijdsbesteding binnen de vereniging en de plaatselijke organisaties is alleen mogelijk indien de deelnemers daarbij gewenst gedrag vertonen, dat gebaseerd is op de uitgangspunten:

a.         de algemeen in de samenleving geldende waarden betreffende de onderlinge relaties van mensen;

b.         het dragen van verantwoordelijkheid voor de optimale werking van de vereniging en de plaatselijke organisaties, alsmede voor een goede combinatie van gezamenlijk leven en werken.

2.            Gedragscode
2.1.        De navolgende elementen maken deel uit van de gedragscode.

a.         De taken, die behoren tot de functie en de taken die daarnaast worden opgedragen, worden deskundig, nauwgezet en veilig uitgevoerd.

b.         Correcte omgangsvormen worden in acht genomen en respect voor elkaar en elkaars privacy worden getoond. Iedereen wordt behandeld volgens de normale regels van fatsoen zowel op lichamelijk als geestelijk gebied. Discriminatie, verbaal en lichamelijk geweld, ongewenste intimiteiten, intimidatie en het misbruik maken van de positie worden niet getolereerd.

c.         Lichamelijk contact moet te worden vermeden; veiligheid van de persoon of functionele werkzaamheden kunnen redenen zijn hiervan af te wijken.

d.         Het is niet toegestaan woon-, was- en toiletgelegenheden, uitsluitend toegewezen aan het andere geslacht, te betreden, tenzij de dienst dit vereist.

e.         Leidinggevenden dienen de verantwoordelijkheid die bij hun positie hoort te nemen, geven het goede voorbeeld en geven verantwoordelijkheid aan hen die dat toekomt, ook het optreden bij normovertreding en het steunen van normhandhaving behoren hiertoe.

f.          Met de goederen en gereedschappen van de vereniging en plaatselijke organisaties wordt zorgvuldig omgegaan; goederen en diensten van de vereniging en plaatselijke organisaties worden nimmer (voor privédoeleinden) misbruikt.

g.         De toegewezen verblijven en accommodatie bij de korpsen worden zorgvuldig gebruikt en in goede orde gehouden.

h.         Iedereen is tijdig aanwezig voor het verrichten van diensten en/of werkzaamheden op de daarvoor aangewezen tijden.

i.          Het voorgeschreven tenue wordt compleet en in goede en verzorgde staat gedragen, waarbij ook het uiterlijk verzorgd dient te zijn.

2.2.        Overtreding gedragscode

a.         Bij het constateren of melden van gedrag in strijd met de gedragsregels, die genoemd zijn in het vorige lid, onder b, c en d, dient terstond:

1.         de – vermeende – dader met onmiddellijke ingang te worden geschorst;

2.         de commandant van het plaatselijk korps te worden ingelicht;

3.         het bestuur van het plaatselijk korps te worden ingelicht;

4.         het hoofdbestuur te worden ingelicht.

b.         Iedere melding van een – waargenomen of vermoed – gedrag in strijd met de gedragsregels, die genoemd zijn in het vorige lid, onder b, c en d, dient strikt vertrouwelijk behandeld te worden teneinde zowel de integriteit van het – vermeende – slachtoffer als de – vermeende – dader te beschermen.

c.         Indien aantoonbaar sprake is van gedrag in strijd met de gedragsregels, die genoemd zijn in het vorige lid, onder b, c en d, dient terstond wordt de dader onvoorwaardelijk ontslagen dan wel zijn lidmaatschap beëindigd.

d.         Naar inzicht van het hoofdbestuur wordt tevens aangifte gedaan bij de politie.

e.         Het hoofdbestuur kan ter nadere uitwerking van hetgeen in dit lid is vermeld een protocol opstellen, daarbij mag het hoofdbestuur volstaan met het van overeenkomstige toepassing verklaren van het protocol van een andere organisatie.

3.            Ongewenst gedrag
3.1.        Roken

a.         Er wordt een ontmoedigingsbeleid ten aanzien van het roken gevoerd.

b.         Tijdens beurzen, tentoonstellingen en activiteiten met een representatief karakter alwaar de vereniging en/of de plaatselijke korpsen zich aan het publiek presenteren en de jeugd proberen enthousiast te maken voor de activiteiten, is roken niet toegestaan.

c.         De commandant stelt in een regeling vast waar en wanneer roken aan boord van het korpschip is toegestaan; hij houdt daarbij rekening met zowel de (scheeps-)veiligheid als de hinder, die niet-rokers van rokers ondervinden.

d.         De commandant kan in een regeling vaststellen waar en wanneer tijdens activiteiten, die niet aan boord van het korpsschip plaatsvinden, roken is toegestaan.

3.2.        Drugs

a.         Het gebruik en/of bezit van drugs, verdovende middelen of enig vergelijkbaar product tijdens enige activiteit van de vereniging of een plaatselijke organisatie of onder omstandigheden waarbij men herkenbaar is of zich presenteert als behorend tot de vereniging of een plaatselijke organisatie, is onvoorwaardelijk niet toegestaan.

b.         Bij het waarnemen van of het vermoeden van bezit en/of gebruik van drugs, verdovende middelen of enig vergelijkbaar product dient onmiddellijk:

1.         betrokkene met onmiddellijke ingang te worden geschorst;

2.         de commandant én het bestuur van de plaatselijk organisatie te worden ingelicht;

3.         het hoofdbestuur te worden ingelicht.

c.         Hangende het onderzoek naar de feiten en omstandigheden betreffende het vermeend bezit en/of gebruik van drugs, verdovende middelen of enig vergelijkbaar product blijft betrokkene onverminderd geschorst.

d.         Indien het bezit en/of gebruik aangetoond c.q. bewezen is, wordt betrokkene onvoorwaardelijk ontslagen dan wel zijn lidmaatschap beëindigd.

e.         Naar inzicht van het hoofdbestuur wordt bij gebruik en/of bezit van drugs, verdovende middelen en/of enig vergelijkbaar product aangifte gedaan bij de politie.

3.3.        Alcoholhoudende dranken

a.         Er wordt een alcoholmatigingsbeleid gevoerd.

b.         Gedurende scheepstijd c.q. dagprogramma’s, zijnde de normale periode van aanwezigheid van de jeugdleden, en tijdens varende verplaatsingen met het korpsschip of met kleine vaartuigen is het niet toegestaan alcoholhoudende dranken te gebruiken of te serveren.

c.         Tijdens beurzen, tentoonstellingen en activiteiten met een representatief karakter alwaar de vereniging en/of plaatselijk korpsen zich aan het publiek presenteren en de jeugd proberen enthousiast te maken voor de activiteiten, is het niet toegestaan alcoholhoudende dranken te gebruiken, te serveren of op de locatie voorhanden te hebben.

d.         Het hoofdbestuur is bevoegd om op verzoek ontheffing van het bepaalde onder b en c te verlenen.

e.         Personen jonger dan 18 jaar mogen aan boord van de vaartuigen en bij activiteiten geen alcoholhoudende dranken gebruiken.

f.          Jeugdleden jonger dan 18 jaar mogen geen alcoholhoudende dranken serveren.

g.         Bestuursleden, kaderleden en overige vrijwilligers hebben een voorbeeldfunctie ten aanzien van matig gebruik van alcoholhoudende dranken.

h.         Bij regelmatig overmatig gebruik van alcoholhoudende dranken kan betrokkene worden ontslagen dan wel zijn lidmaatschap worden beëindigd.

3.4.        Media

a.         Media van de vereniging en de plaatselijke organisaties dienen te worden gebruikt overeenkomstig het doel waarvoor die media ter beschikking zijn gesteld.

b.         Bij het plaatsen van teksten en/of foto’s betreffende activiteiten van de korpsen dient terughoudendheid te worden betracht.

c.         De commandant maakt afspraken met de kaderleden, jeugdleden en ouders van de jeugdleden over het gebruik van video’s en foto’s, die tijdens activiteiten van het korps zijn gemaakt.

d.         Opslaan, verspreiden, voor anderen ter inzage hebben en versturen van aanstootgevende informatie, zoals pornografische afbeeldingen, afbeeldingen die de persoonlijke levenssfeer van derden kunnen bedreigen en discriminerende teksten, via de media van de vereniging en de plaatselijke organisaties of media waarin de vereniging en/of plaatselijke organisaties worden genoemd, is onvoorwaardelijk niet toegestaan.

e.         Indien onder c genoemde informatie bewust is geplaatst met als oogmerk schade toe te brengen aan de vereniging en/of plaatselijke organisaties en/of personen, die daarbij zijn betrokken, kan betrokkene worden ontslagen dan wel zijn lidmaatschap worden beëindigd.