Zomerkamp 1962

Mijn eerste zomerkamp

Uit “de Zeekadet, Juli/Augustus 1962, 5e jaargang, nummer 3/4.

Hoogst belangrijk voor hen, die zo straks hun eerste kamp beleven
Ons korps had besloten de kilometers lange tocht naar het Marine opleidingskamp te Hilversum, alwaar wij tien dagen de gast van de Koninklijke Marine zouden zijn, op de fiets te “presteren”. Daar ik een half jaar korpslid was en nog nooit een zomerkamp had meegemaakt, hadden de vooruitzichten naar zulk een kamp mijn verwachtingen zo hoog gespannen, dat het me onmogelijk was de avond tevoren de slaap te vatten. De sterke verhalen van de “ouwe” jongens, die het zomerkamp nog geen enkel jaar hadden overgeslagen, trokken aan mijn verbeelding voorbij, terwijl ik daar, woelend en zuchtend in mijn opklapbed, op vriend (men zegt ook wel eens: vriendin) Morpheus lag te wachten. Ik was nog nooit eerder van huis geweest, dus… doodnerveus, hoewel ik me sterk had voorgenomen daar niets van te laten blijken. In het half jaar, waarin ¡k nu reeds het uniform droeg, was ik toch wel een beetje “zeeman” geworden, ook al wis ik de smaak van zeewater nog niet precies te bepalen.

Voor het naar bed gaan waren mijn spullen aan de hand van de bekende “instructie voor deelnemers” ingepakt en op strategische wijze op mijn fiets gebinseld, zodat ik op een broodpakketje na, welke ik op deze veldtocht moest meenemen, de volgende morgen geheel startklaar stond. De “niet verantwoordelijkheidsverklaring” was reeds collectief ingeleverd, zodat ook dit geen moeilijkheden meer kon baren. “Zonder deze verklaring”, had de commandant van ons korps gezegd, kom je daar in Hilversum geen meter over de drempel. De marine mag dan voor ons zeekadetten bijzonder soepel zijn, schrammen en bulten zijn geheel voor eigen rekening’.

Met wat tact had ik het gezondheidszadel van mijn broers fiets af weten te plukken. Mijn twee kadetjes, welke naam door wat lyrische mensen aan het edele zitvlak wordt gegeven (wij zeekadetten noemen dat lichaamsdeel anders), zouden derhalve op deze lange tocht vers blijven. Uiteraard , had mijn broer voor deze “roof” weinig waardering. Hij vond dat een vijftienjarige zo’n peststukje naar Hilversum desnoods op een enkele zadelpen diende te volbrengen.

Na dus die morgen afscheid te hebben genomen ais ging ik een uitstapje naar Nieuw-Guinea maken, stapte ik geestdriftig op mijn piekfijn verzorgde fiets om mij op het verzamelpunt te melden. De rijwielen waren de vorige dag door de commandant gecontroleerd geworden. Die had met een hamer links en rechts op stuur, frame en wielen geslagen met als gevolg dat er hier en daar wel een klein deukje was ontstaan. Toen was hij er zelf op gaan zitten, hetgeen onmiddellijk het zo juist opgezette gezondheidszadel overstag deed gaan, waardoor de goede man met een zware bons op de bagagedrager terecht kwam. Ook dat had het lakwerk geen goed gedaan, want onze, commandant heeft een k… ., ik bedoel een edel zitvlak, waarop een olifant jaloers zou worden. Kortom, mijn tweewieler was in orde bevonden, zodat ook wat dit betreft – voor mij het zomerkamp kon doorgaan.

Als een koppel wilde eenden zijn w¡j die morgen en nog een stuk van de middag naar Hilversum “gevlogen”. Zeventig kilometers werden in vijf uur afgelegd, waaronder begrepen een half uurtje rust en de nodige “regenbuitjes”. De man voorop, die het tempo aangaf, was zojuist teruggekeerd van de Tour de France. De teleurstelling, dat hij die Tour niet gewonnen had, deed hem nu rijden voor de gele trui. Mijn tong hing tot op het voorlicht, terwijl mijn kadetjes ondanks het gezondheidszadel vanwege de blaren tot een krentenbol waren omgevormd. U begrijpt dan ook met welk een gevoel van opluchting en trots ik het stalen hek van het Marine opleidingskamp te Hilversum begroette.

Voor het zover was werd echter halt gehouden. Onze horloges stonden namelijk op half twee, hetgeen betekende dat wij nog 30 minuten respijt hadden, aangezien – wederom volgens de voorschriften geen zeekadet voor twee uur het dorado mocht binnentreden. Wij konden op deze wijze wat uitblazen, een broodje eten en ons tenue verzorgen, drie zaken welke alle even belangrijk als noodzakelijk waren. Onze commandant, die zelf op een rijwiel was meegegaan, zij het dat dit vehikel ergens bij de trappers nog een klein benzinemotortje verborg, vond het zelfs nog gewenst dat wij onze schoenen nog even poetsten, hetgeen heel wat trammelant gaf, daar w¡j daardoor een diepe duik in onze bagage dienden te nemen. Geen zeekadet had er natuurlijk aan gedacht zijn schoenborstel bovenop te leggen.

Zo reden w¡j dan een half uur later, monter, fris en opgedoft het marine opleidingskamp binnen, waarbij w¡j aan de ogen van de marineonderofficier bij het hek konden zien, dat de eer van ons korps gered was. “Net stelletje’, hoorden wij hem tegen de leerling van de wacht zeggen, maar dat was later … veel later na de werkelijke ontvangst.

Het begon met een toegangshek, dat hermetisch gesloten bleef, toen wij daar fier en dapper kwamen aanpeddelen. Mijn eerste gedachte was, dat wij ons misschien in de datum vergist hadden en men ons daar in Hilversum helemaal nog niet verwachtte, hetgeen mij bijna in paniek bracht, mede door de gedachte aan “de weg terug”. Gelukkig kende mijn buurman de werkelijke reden. Langs de kier van zijn onderlip fluisterde hij mij toe, dat eerst de papieren dienden te worden ingeleverd.

Onze man voorop, U weet wel die het tempo aangaf, had over onze groep zo’n beetje de leiding, aangezien onze commandant op zijn brommer of twee kilometer voor of twee kilometer achter had gelegen, het laatste doordat zijn hakken puffer er somstijds zo maar mee was uitgescheiden , vanwege een vuiltje in de benzineleiding”. Dan waren w¡j met veel gejuich onze brave commandant gepasseerd, die met heel vuile handen over zijn brommertje gebogen stond, hem luidkeels herinnerend aan de eis, “dat men alleen met een deugdelijk rijwiel aan het zomerkamp mocht deelnemen”.

Zoals ik dus zei, onze “tourrijder” voorop- had de leiding, dus stapte deze kwartiermeester, die ik onderweg vaak verwenst had, nu tot mijn diepste bewondering door het kleine poortje de wacht tegemoet. Hij ging rechtstreeks op een breed geschouderde man af waar ik het liefst in een grote boog omheen zou zijn gelopen. Op zeven pas afstand voor deze figuur aangekomen hield hij met een schok halt, sloeg de enkels met zoveel kracht tegen elkaar dat hij haast omver rolde, bracht de zeekadetgroet welke meer op een aanslag deed lijken en overhandigde de respectievelijke bescheiden. Dit alles had schijnbaar zoveel indruk gemaakt, dat vrijwel onmiddellijk het brede hek openzwaaide en derhalve “Hilversum” voor ons openging.

Maar nauwelijks binnen, kwamen wij niet veel verder. “Hier aantreden” brulde de breedgeschouderde marineman. En daar stonden wij, wat zenuwachtig met de fietsen tegen ons aangeleund, terwijl wij stuk voor stuk werden geteld. “Het klopt niet”, hoorden w¡j weer die onderofficier van de wacht brullen. Ik heb hier 48 niet-aansprakelijkheidsverklaringen, en jullie zijn maar met 47″. De transpiratie parelde op onze voorhoofden, niet in het minst bij onze voorman. Hoe was dat nu mogelijk? Niemand was toch thuisgebleven? Van de weeromstuit begon onze kwartiermeester onze groep opnieuw te tellen, maar hij had nauwelijks een paar neuzen genoteerd of de man aan de poort deed opnieuw zijn mondje open. “Als ik zeg, dat het er slechts 47 zijn, behoeft niemand dat te controleren. Dan zijn het er 47, geen man meer en geen man minder. Dus, ik herhaal: waar is numero 48?”

Moeder moeder, wat een misère die numero 48 toch. Waar hadden we die onderweg verloren. En juist wilden wij teruggaan om hem dan maar te gaan zoeken, toen wij buiten het ijzeren hek onze commandant ontwaarden, die weer een vuiltje in zijn benzinepijp had gekregen en dus voor de zoveelste maal aan het doorblazen. was geslagen. “Dat is numero 48”, gilden wij in koor en gelukkig, zo was ’t ook. De onderofficier van de wacht grijnsde vol liefde; de papieren klopten en wij konden nu werkelijk ons zomerkamp beginnen.

‘s-Middags bij het beddengoed halen werd mij een onderwieg toegewezen van een zo laag bouwsel, dat ik eerst op de grond moest gaan liggen om erin te kunnen rollen. Dit krakende makelij van staal bestond tevens uit een bovenverdieping, welke aan mijn medepartner “de Bolle” was gegeven. En op die naam maakte hij volledig en onbetwist aanspraak. Met doodsverachting en afgrijzen heb ik dan ook die eerste nacht naar die enorme uitpuiling in mijn bed-hemel liggen staren, steeds bevreesd dat die bult zou barsten en vriend “Bolle” mij tot een Perzisch kleedje zou vervormen. Nog nimmer had ik zo’n onrustige slaper meegemaakt. Hij sloeg in zijn slaap steeds maar wartaal uit, knarste op zijn tanden en veroorzaakte bij het zich telkens omdraaien zoveel deining in onze gemeenschappelijke stapelbed, dat ik mij met twee handen moest vasthouden.

Ik ben vermoedelijk van uitputting in slaap gevallen, want toen ¡k ontwaakte wist ik eerst niet recht waar ik aan toe was. De zon wierp een bundel stralen door het openstaande raam, gevolgd door een heerlijke dennengeur. De daaraan verbonden sirene stilte met alleen wat juichende vogels schonk mij een heerlijk gevoel van tevredenheid. Hoe lang ik zo, liggende op mijn rug, dat onbekende op mij heb laten inwerken, weet ik niet. WeI, dat plotseling mijn bed verschrikkelijk begon te schudden en ik nog net mijn in rust verkerend hoofd in veiligheid kon brengen voor twee grote voeten, die van boven uit naar beneden kwamen dalen. Lieve help, ’t was de “Bolle”, die met zoveel kracht en bijgeluiden uit zijn bedje sprong, dat allen, die deze slaapkamer met ons vulden, meteen klaar wakker werden en van schrik recht overeind in hun ledikanten zaten.

,,Sorry”, hoorden wij onze Bolle zeggen, “even plassen; ik stik van de dorst”. En met een knal sloeg de deur achter hem dicht zo hoog was zijn nood om water in- en af te geven. Spoedig daarop klonken de vrolijke klanken van overal. ’t Was de eerste werkelijke kampdag dus langslapers waren er nog niet. Die zouden pas over enkele dagen komen, als het zeilen op de plassen en het film kijken in de sportzaal acht uren van slaap te weinig doen zijn. Wassen, kammen en eten waren onze eerste ochtendhandelingen van dit nieuwe leven. De avond daarvoor had de kampcommandant ons haarfijn verteld wat er allemaal in deze tien dagen zou gaan gebeuren; hij had er een warm. plaatsje voor in ons, hart gekregen, ook inzake de reglementen en verordeningen, die hem daarbij van de lippen waren gevloeid.

Zo kreeg het onbekende gauw een zekere bekendheid en leek het al spoedig of ik reeds diverse jaren aan een zomerkamp had deelgenomen. Het verblijf op de “Boomhoek” bracht voor mij onvergetelijke momenten. Hoe heerlijk waren hier de Loosdrechtse plassen; hoe prettig het zeilen en het roeien in die machtige B-2 sloepen; hoe verkwikkend het zwemmen Wind, zon en lucht deden mijn huid bruinen en mijn maag zo hongerig maken, dat tien boterhammen, twee pannenkoeken en een mok soep in tijd van een mum naar binnen werden getramd. Wat je thuis wel eens niet lustte, vond je hier heerlijk; wat je thuis nooit mocht, mocht je hier weI. Want kreeg jij wel eens een hele beker vol chocoladehagelslag of een halve pot appelstroop voorgeschoven. Nou, aan de “Boornhoek” wel hoor, zij het op de laatste kampdag, toen de commandant zomerkamp bepaalde, dat er niets mocht overblijven. ’t Is overigens geweldig wat deze commandant en zijn militaire helpers (allemaal mieterse marineofficieren en onderofficieren) voor ons in zulke dagen doen. ‘s-Morgens voordat wij opstaan en dat is om 07.00 uur staan zij al volkomen in tenue aan je kooi te scheuren om je goede morgen te wensen, terwijl bij hen ’s avonds laat de lamp nog brandt om de administratieve rompslomp te klaren en het programma voor morgen voor te bereiden. Zij zijn de gastheren van de Koninklijke Marine in de ware zin des woord. Voorts de toko met zijn “overheerlijke koeken”, repen, limonades. Soms hebben zij geen stuiver terug en dan krijg je een doosje lucifers in je hand gestopt. En als je dan beweert: ik rook niet”, dan krijg je glashard te horen “Ik wel; geef mij maar een vuurtje”. ’s Avonds, als wij weer teruggekeerd zijn in het marinekamp en de warme hap bij borden achter je frokkie is verdwenen, sta je te schreeuwen op het voetbalveld of te gillen in de sportzaal als de een of andere spannende film wordt vertoond. Geen minuut in die tien dagen blijft onbenut. Slapen, opstaan, eten, baksgewijs, fietsen naar de “Boomhoek”, zeilen, weer eten, weer zeilen, terug naar Hilversum, nogmaals eten, voetballen, film kijken en naar bed. Zo is ongeveer het dagelijks programma met als speciale afwisselingen: vooroefenen, parade, ouderdag, passagieren en plunje wassen. Alles volgens de klok, dus stipt op tijd want orde, regelmaat en de nodige discipline bepalen het zomerkamp. Zo ondervond ik mijn eerste zomerkamp, dagen, die veel te snel voorbij gingen en de ouderdag deed aanbreken voordat ¡k het wist. Het waren toen vader en moeder, die enkele uren lang de gastvrijheid van de Koninklijke Marine aan de lijve mochten ondervinden en derhalve begrepen wat voor een heerlijke tijd wij ieder jaar in Hilversum beleven.

Daarom….. ik sta weer te popelen totdat het hek van het marineopleidingskamp op 21 juli a.s. zal openzwaaien. Wij mogen dan gerust toegebulderd krijgen dat er een man ontbreekt. Wij mogen opmerkingen krijgen over niet gepoetste schoenen of een slecht opgemaakt bed. Wij mogen flink onder de duim gehouden worden en diverse “uitscheiters” (hoe noem je dat ook weer in de buitenwereld) krijgen inzake dit en dat. Dat is dan allemaal onze eigen schuld. De leiding weet bovenal ons een heerlijk kamp te bereiden een echt zomerkamp voor het zeekadetkorps Nederland, dat helaas dit jaar maar acht dagen zal kunnen duren. Wie dat op zijn geweten heeft is geen vriend van deze

ZEEKADET.